StamboomOnderzoek maakt gebruik van cookies. Wat houdt dit in? Info
Terug naar Startpagina van StamboomOnderzoek.com

Aantekeningen


Treffers 1 t/m 1 van 1

     

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
1 Occupation:
Place: Post -en accijnsmeester in Lemmer,Substituut Grietman Lemsterland voor de ziekelijke Idsard Stynthiema,Dijkgraaf Zevenwouden,Grietman Doniawerstal

Individual Note:
HAMCONIUS, MARTINUS Frisia seu de viris rebusque illustribus. Franeker 1620. Geb., geïll., ca. 260 p.
1620 Hamconius (1550?-1620) was (substituut-) grietman van Lemsterland en Doniawerstal en koos bij de opstand de Spaanse zijde. Daarom moest hij uit Friesland vertrekken. Dit is zijn hoofdwerk, voor het eerst verschenen in 1609 (en in 1623 ook nog voor de tweede maal herdrukt). Deze herdrukken zijn uitgebreid met 50 geëtste portretten van de graven en heren van Friesland en een portret van de auteur door Pieter Feddes van Harlingen.

Marten Hamkes, Marten Hamckema of Martinus Hamconius om 1550 hinne berne yn Follegea, heart ek ta in groep dy't wol dy fan de apokrife skiedskriuwers neamd wurdt. Der wurde yn syn wurk noch al wat folkloristyske aspekten oantroffen.

Onze oude Friesche geschiedschrijver Hamckema
(Hamconius), die zijn werk in Latijnsche dichtmaat
heeft geschreven , vermeldt in den text, dat het
Tjeukemeer vroeger een bosch is geweest, (Tyulrius
hic lacus est. Quondam Nemus.)
Volgens zijne kantteekening wil de overlevering,
dat daar, waar nu het meer is, in oude tijden veengronden
waren, die dooreene vrouw Tjeuke genaamd,
in brand zijn gestoken en daardoor tot diep in den
grond zijn uitgebrand en in. een poel veranderd.


Uit:
DRIEENZESTIGSTE
V E R S L A G
DER
Handelingen van het Frieseh Genootschap
VAN
GESCHIED-, OUDHEID- ES TAALKUNDE TE LEEUWARDEN,
over het jaar 1890—1891,
uitgebracht in de vergadering van den 6 Oct. 1891.,hierin staat:

Ten slotte leverde de Heer J. Hogeman, van Slagharen,
eene korte bijdrage over het boek Frisia en het nageslacht
van Hamconius, eigenlijk Marten Hamkema geheeten,
waarvoor Spreker de gegevens had gevonden in het archief
der familie Muurlink te Oldemark. Daar was hem in handen
gekomen een exemplaar van de Frisia van het jaar 1607,
uitgegeven te Munster bij denzelfden drukker als dat van
1609, welke uitgave men tot nu toe voor de laatste had
gehouden. Uit de familie-aanteekeningen , die in dit exemplaar
werden aangetroffen, zou volgens Spreker blijken,
dat het afkomstig was van de eenige dochter van Hamconius,
die in of bij de Lemmer met Jacobus Seta was
gehuwd geweest.

Men denke ook aan
den hamer, het wapen van den Oud-Germaansclien
Thor. Evenals de benaming van
ander wapentuig, van den helm, den speer
(ger of geer) , liet schild , het harnas (bron) ,
zoo was ook liet woord hamer, op zich zelven
of in samenstellingen, bij de oude Germanen
tot eenen naam geworden , dien men jonggeborenen
knaapkens gaf. FÖKSTEMANN, in zijn
„Altdeutscb.es Namenbuch", geeft eenige voorbeelden
van zulke mansnamen op: Hamar,
llamerich , HameroJ†. Ook de oude Friezen ,
als echte Germanen, volgden deze zede. Mij
is deze naam, in drie vormen, J-Jamar, Hamer,
Hammer, voorgekomen in oude geschriften, als
eigen aan Friesche mannen. Waarschijnlijk is
de hedendaags onder de Friezen nog gebruikelijke
mansnaam Hamke, Hamho, Hamco (met
de daarvan afgeleide geslachtsnamen Hamkema
en Hnmkes en het verlatijnschte Ilamconius

Uit de Friese volksalmanak 1891:

MaRTINUS HAmCOMIUS,
(MARTEN HANKES.)
Iets over zijn geelacht en zijne schriften.
Wat J. VAN DOOBNINCK in den Overijselschen Alm.
voor Oudheden, jaarg. 1838, schrijft van AREND
TO BOBCOP, burgemeester van Kampen, dat hij was
„een man van vast karakter" bij zoo veel karakterloosheid
in den veel bewogen tijd van de tweede
helft der 16e eeuw, zal men, welke politieke denkwijze
men ook moge toegedaan zijn, moeten toekennen
aan HANCOMIUS , den schrijver der Frisia.
Van dit werk zijn twee uitgaven bekend. De
eerste van 1609, gedrukt te Munster, de andere
gedrukt te Franeker in 1620. Van de laatste uitgaaf
(ab authore recognitum, etc.) bestaan weer
verschillende exemplaren ; het eene, met het zwarte
wapen en de opdracht aan clen Aartshertog, door
HANCOMIUS (Hamconius) zelf geschreven, — het
andere, met het roode wapen en eene opdracht aan
de Staten van Friesland, is waarschijnlijk van de
hand van PIEHIUS WINSEMIUS.
HANCOMIUS toch was vóór 1620 reeds overleden.
WINSEMIUS , die in geschiedbeschouwing eene te
geringe critiekegeest betreffende FUKMBEIUS, SUITRIPUS
PETRI en HANCOMIUS bezat, tegenover de overcritiek
van TJBBO EMMIUS , — vooral als deze de geschiedenis
naar zijne opgevatte ideën plooit, — moest
in den lof der Friezen en nog meer in de liefde
voor vaderland en voorzaten, die in het werk van
HANOOMIUS doorstralen, wel behagen vinden, waar-
Wumkes.nl
176
om hij, wenschende dat zijn werk ook in Friesland
gebruikt zou worden, het daarom met een ander
uithangbord voorzag.
Wat wij verspreid vonden over den genoemden
schrijver, over zijne leven, zijne werken, zijne voorouders
en, vooral ook aangaande zijn nakroost,
wenschen wij, op verzoek der redactie, thans mede
te deelen.
Voor eenige, tot nog toe geheel onbekende narichten
wegens 's mans nakroost, moet ik echter
eerst mijn dank brengen aan de familie MUURLINK
en vooral aan Juffer MARIA MUUBLINK te Oldemark,
die mij, zoo welwillend, haar geheel familie-archief
liet doorsnuffelen.
MARTEN HANKES T) gewoonlijk HANCOMIUS genoemd,
werd omstreeks het jaar 1550 te Follega, bij de
Lemmer, geboren. FOPPENS (Bibl. Belg. I I , 155)
stelt zijn overlijden even vóór het jaar 1620. In
een lijkzang op zijn zoon JOACHIM, pastoor en aartspriester
te hingen, in het jaar 1607 overleden,
roemt hij de eervolle voorzaten van dezen zoon ,
welk gedicht in de Frisia is afgedrukt.
'J Zijn vader zou HANKE HANKEMA geheeten hebben.
(Nieuwe Naamlijst der Grieten., bl. 345), wat
echter niet waarschijnlijk is. In 1543 vindt men in de
Benefîciaalboeken van Friesland te Lemmer, HANKE
LIKKLIS, T.JAEM HANKES en te Follega HANKE MERKE.
Ben dezer zal wel de vader of grootvader van onzen
MAETEN zijn geweest. In de Lemmer komt ook voor
SIPKE HOLLIS en te Follega BONTE HOLLIS en in beide
plaatsen HOEGT HANNES. HANKE zal wel de verkleinvorm,
het deminutivum van HANNES (= JOANNBS) en
HOLKES het deminutivum van HOLLIS , tweede naamval
van HOLLE, zijn. Een dezer, HOLLIS, was misschien
de grootvader van JOCHEM HOLKES, de vader
van de vrouw van MAKTEN HANKES.
Wumkes.nl
177
De Betoverovergrootvader van JOACHIM of zijn
eigen overovergrootvader was DIRK HANKEMA , die
in 1422 de Lemmer , bij de verdrijving der Hollanders,
verdedigde. Zijn beide overgrootouders (de
betovergrootvaders van JOACHIM) waren Grietmannen.
BÜHO VIBIUS JOLLEMA was Grietman van Doniaicerstal,
vermeld in de Sassensche Ordonnantie,
en AüGusTiNus STHYNTHIEMA, grietman van Lemsterland,
die in 1498 bij Saaxum sneuvelde. Een broer
zijner vrouw, (de oom van moederszijde van JOA-
<;IIIM) , was advokaat' bij liet Hof van Friesland,
terwijl de broer van HANCOMIUS , bijgenaamd MYüicA
was ANDREAS HANGOMIUS MYRIGA, (die oom van
vaderszijde van JOACHIM wordt genoemd) om zijne
studiën te voltooien, verscheidene universiteiten
van Duitschland, Frankrijk en Italië bezocht had
en zeer bedreven was in het Hebreeuwscli, liet
Ghaldeeuwsch, liet Grieksch en Latijn en ook vooral
in de geneeskunde uitblonk. Hij vestigde zich te
Leeuwarden, huwde aldaar en practitiseerde hier
verscheiden jaren zeer gelukkig als geneesheer,
totdat hij daar in 1585 aan het graveel overleed.
Hij moet, behalve over geneeskunde ook
veel over gewijde zaken, geschreven hebben, doch
bij het naderen des dcods dit alles hebben doen
verbranden. SÜFFRID. PETRI meldt dit alles van
hem Decae XIII.C.VI.
Wegens het overlijden zijns vaders werd onze
MARTEN HANCOMIUS spoedig van de.studie, waarheen
hij gezonden was, teruggeroepen. Hij was
reeds ervaren in de rechten en had de talen geleerd.
Nu moest hij het vaderlijk erf bebouwen.
„Kus colo", zegt hij in een gedicht, waarin hij
zijn leven en lotgevallen meldt, hetwelk FOPPENS
(1. c.) mededeelt, doch hetgeen in mijn- uitgaaf der
12
Wumkes.nl
178
Frisia van 1609 niet staat, en door onze schrijvers
over zijn leven niet schijnt gebruikt te zijn.
Daar hij zoo spoedig de studie moest vaarwel zeggen
noemt FOPPENS hem „genoegzaam, een autodidact".
„Ad studium missus revocor mox funere patris".
Bekend is van HANCOMIÜS , dat hij driemaal verbannen
werd, en dit gebeurde, zegt hij, wegens
zijne liefde tot den koning, „amoris regis".
Di-oevige en blijde toestanden heb ik, meldt hij,
beleefd, want werd ik driekeer verbannen, ik keerde
niet enkel driemaal terug , maar werd ook met eereposten
bekleed. Hij was dan ook post- en accijnsmeester
in de Lemmer en Substituut-grietman van Lemsterland
voor den ziekelijken IDSARD STYNTHIEMA, zeer
waarschijnlijk nog een verre naneef van hem, zooals
uit het voren medegedeelde betreffende zijne
voorzaten mag worden afgeleid. Volgens de Conseriptio
Exulum was hij met zijn vrouw id 1580
in ballingschap gegaan. Hierna werd hij dijkgraaf'
van de Zevemvoiiden, dus over de dijken, loopeude
van het Roode Klif tot aan Veenhuisen of Kuinre.
en daarna G-rietman van Doniawerstal. In zijne
eerste ballingschap schreef hij, den 21 Augustus
1581, met andere ballingen, HANS ROORDA , OENZE
WIZTSMA , Grietman van Dantumadeel en MARTEN
BOUTSMA een brief aan de ontevreden landlieden
van Oostergo, om tot de gehoorzaamheid van den
Koning terug te keeren, (SCHOTANUS, Priesche Hist.
bl. 801). Den 25 November 1601 gelastte het Hof
van Friesland tegen hem te ageren, omdat hij zich
ophield bij dieg'enen, die den Koning getrouw waren.
Eenmaal, zoo schrijft hij zelf, is hij overwonnen
in een gevecht en viermaal bij belegering, waarbij
hij eens, door te zwemmen uit een ingenomen stad,
is ontkomen.
Wumkes.nl
179
Behalve de verzen, waarin hij den mislukten
krijg van JAN KASIMIE met GERARD TRUCHSES , den
afgezetten Aartsbisschop van Keulen, tegen ERNST
VAN BEIJEREN , den nieuw benoemden Aartsbisschop,
beschrijft, en een werkje: „Theatrum regum ponti-
„ficum et principium Frisiae, — Verthoninge der Ko-
„ningen , bisschoppen, princen enz. van Friesland",—
is zijn voornaamste werk het vorengemelde „Frisia",1)
waar hij in zesvoetige Latijnsche verzen de beroemdste
feiten en personen van Friesland bezingt. In bovengenoemde
levensbeschrijving van zich zelven, zegt hij
hiervan, dat hij, hoe ook herhaaldelijk gedrukt
door ballingschap en meermalen overwonnen, echter
nog steeds met krachtigen moed de daden en 't
geloof der voorouderen bezingt, daar de deugd
.alleen bij hem dieper ingedrukt is , dan ai die
rampen. „Sed forte usque animo patrum cano
„gesta fidemque, altior est virtus omnibus una malis."
Tot nog toe meende men, dat de eerste uitgaaf
van het gedicht Fr is ia van het jaar 1609 was:
ik vond echter in het archief van de MUUBLINK'S
bovenvermeld, eene uitgaaf van 1607 , van den
zelfden drukker als die van 1609. Ook bleek ons
uit een tot het archief van die familie behoorend
stuk, dat de vader van de vrouw van HANKEMA ,
JOACHIM heette, naar wien zijn zoon, de vroeger
vermelde pastoor van hingen, zal genoemd zijn.
In dat stuk, van het jaar 1586, verhuren MARTEN
HANKES en BIN JOCHEMS , echtelieden, aan SIMON
MELES en SIDS, zijne vrouw, een erf of land bij de
Lemmer of Follega gelegen.
Hetzelfde archief bevat mede andere stukken,
l) Frisia, seu de viris rebusque Frisiae illustribus,
libri II. — Monasterii Westph. Typis L. Rasfeld(i)i.
Anno MDOIX.
Wumkes.nl
180
die ons met sommige afstammelingen van HANCOMius
bekend maken. Daartoe dragen vooral bij
eenige familie aanteekeningen in de uitgaaf der
Frisia van 1607, wolk exemplaar door HAXCOMIUS
zelf aan zijn schoonzoon schijnt vereerd te zijn.
In zijn bovenvermelde» levensbeschrijving zegt
HAKCOMIUS , dat hem drie zoons of drie kinderen ,
de een, eene dochter, werden geboren. „ Tres nati
„miki filia nascitur una." Men kan het verstaan
drie zoons , eene dochter, dus vier kinderen, docli
men kan er ook uit lezen : drie kinderen, (waarvan)
de een , eene dochter.
Zijn zoon JOACHIM, geboren in 1576, werd in
1596 te Leuven tot meester in de vrije kunsten
gepromoveerd. Hij was primus of de eerste in
vordering, doceerde zeven jaren lang de wijsbegeerte,
werd priester gewijd- in 1602 en verkreeg
met lof (cum laude) het licentiaat in de godgeleerdheid.
De Aartshertog belastte hem met eene
zending naar Friesland, en toen Lingen den 19
Aug. 1605 tot de gehoorzaamheid des konings
was teruggebracht, werd hij in 1606 aldaar tot
pastoor en aartspriester of deken , door SASBOLD
VOSMEER , den pauselijken Vicarius, aangesteld. Hij
overleed te Lingen den 2 Sept. 1606 „tot groote
droefheid der burgers en van alle brave lieden"
aan de pest, in den ouderdom van 30 jaren 10
maanden en 16 dagen. ')
') Ik mag niet nalaten hier te vertalen, wat B. A.
CTOLDSMIT) in zijn „Gescliiehte der Grafschaft Lingen,,'
bladz. 91—93 over MAKTEN en zijnen zoon Jo.umm
meldt „MARTFN HAXCOMII'S schijnt ook te Lingen bij-
„zonder belang in de kerkelijke aangelegenheden gerateld
te hebben, daar hij in onderscheidene oorkonden
Wumkes.nl
181
Gelijk wij boven zagen, was MARIEN HANKEMA
eerst postmeester.
Eene attestatie van 1617, en ook nog eene van
1629, melden, dat MABTEX HANKES de post aan
de Lemmer gepacht had voor 600 car. guld. Nog
een ander getuigenis, van 1690, meldt, dat PIER
SETA, notaris, de gerechtigheid van de post geërfd
had van zijn vader TETARDUS of TJEERT JACOBS
SETA. Uit het archief is verder met zekerheid op
te maken , dat de eenige dochter van HANCOMIUS
gehuwd was met JACOBUS SETA, wiens zoon TETAEDUS
, in het exemplaar dezer Frisia, heeft aangeleekend,
dat hij is de eigenaar van dat boek. Een
broer zijner moeder, dus een andere zoon van
HANCONIÜS , met name SABIKÜS of CEABINUS, (onduidelijk
is dit) schrijft daarin duidelijk aan TETAKDUS
deze verzen -
Ingenii Martini ferax stirps Hankema pulsat
Martini Hancomii ut facta sequaris avi
Istos Tibi versiculos „' , . ' avunoulus liausit
• ( Orabmus
Ut patrem ipse tuque sequaris avum.
Hierin spoort SABINUS, broeder zijner moeder ,
(avunculus) onzen TJEERT alzoo aan, om zijn grootvaders
daden na te volgen, zooals hij zelf hem ,
die zijn vader was, navolgde.
„als getuige voorkomt met het praedicaat „vir apec-
„tafcae virtutis", „een man van uitstekende deugd." Ook
„een vriend van hem, dien hij een exemplaar van zijn
„Frisia schonk, noemt hem daarin „een door deugd
„en geleerdheid uitstekend man. SASBOLD noemt
„JOACHIM in zijn schrijven een heilig man. Hij stierf
„vermoedelijk ten gevolge zijner zielenijver brj pest-
„zieken, aan de pest, betreurd door de burgers en
«alle braven."
Wumkes.nl
182
'Achter, in dat zelfde exemplaar van TJEERT
JACOBS SETA, staan in 't Latijn volgende geboorteaanteekeningen,
die duidelijk dezen TJEERT gelden:
Anno 1610 zijn wij getrouwd. (Is dus TZEERT
gehuwd).
1611. 12 Julij, is geboren onze dochter BIN. Deze
is dus genoemd naar hare grootmoeder van moederszijde,
de vrouw van HANGOMIUS, BIN JOCHEMSIIOLKBMA.
1612 is geboren onze zoon JACOBUS , gestorven
1618, dus genoemd naar zijn vader JAOOBUS SËTA.
1613. 2 Novemb., is geboren BIN ; dus de eerste
BIN was gestorven.
1616 is geboren onze zoon JOACIIIM. Genoemd,
of naar zijn vaders grootvader van moeders zijde,
JOACHIM HOLKEMA , of naar zijn oudoom, den pastoor
van Lingen.
1617 is geboren MARTINÜS. Deze stierf 1641 ,
en zal naar onzen MAKTEN genoemd zijn.
1619 is geboren BUERIUS of PIERIUS; vaak genoemd
PIERIDS HANCOMIÜS SETA. Deze is notaris
geweest op de Joure, leefde nog in 1675, doch.
was in 1687 reeds overleden. Deze notaris liet
twee dochters n:i: NAMKE en JANNEKE. JANNEKE
huwde met den notaris STEPHAKDS SUHULTINK, die
zijn schoonvader reeds in 1687 als notaris te Joure
was opgevolgd en nog in 1723 als notaris aldaar
fungeerde, doch vóór 1728 was overleden Hij
bezat met JAN SCHULTINK , wijnkooper te Sneek,
gemeenschappelijk eenige goederen, vooral te Beels
en Oldeooom. Deze JAN was blijkbaar zijn broeder.
Het schijnt zeker, dat de vader van STEPHANUS, de
notaris, was CORNELIUS LAMBERTÜS SCHULTISCK, die
in 1642 huwde met SIJTSKE STEVENS en te Beets
woonde of ging wonen, naar welken STEVEN onze
notaris STEPHANÜS zal genoemd zijn.
Wumkes.nl
183
Notaris STEPHANUS SCHULTINCK had een zoon Mr.
- PIERIÜS HANCOMIÜS SCHULTINCK , naar zijn moeders
vader genoemd, die advokaat bij het Hof van
Friesland was. Deze huwde met ANNA NADTA en
had twee kinderen: BAVIDS SCHULTINCK en FLORENTIA
SCHULTINK.
Nog had STEPHANÜS twee dochters: IKA ook
IDA in de stukken genoemd, die huwde met
HERMANDS DE JONG , koopman te Kuinre en AALTJE,
de oudste, die huwde met den weduwnaar HENRIcus
MUURLINK aan de Oldemark, waarvan een
dochter VROÜWKE , die echter geen kroost heeft
nagelaten.
Ten opzichte dezer Friesche SCGÜLTINCKS meenen
wij, ofschoon dit niet meer het bloed van HANCOMIDS
geldt, nog het volgende te moeten mededeelen.
Bovengenoemde broeder van den notaris STEPHANDS
, namelijk JAN SCHULTINCK, huwde in 1673
te Worhum met TIMENTJE SPANGA, doch woonde
in 1693 te Sneek, waar hij wijnkooper was. Van
meer kinderen kwamen slechts drie tot rijpere jaren,
als: Mr. JACOBUS, die advokaat was bij het Hof
van Friesland, BARRARA, die huwde met BEGNERÜS
HAAKSTRA , brouwer te Sneek, en CORNELIUS , die
zijn vaders zaak, den wijnhandel, voortzette. CORNELIDS
huwde te Sneek in 1715 met RINSKE BÜRDES of
BERNARDS , die meer kinderen hadden , doch waarvan
slechts een zoon, BERNARDÜS SCHULTINCK , geboren
in 1724, in leven bleef. Deze huwde in 1751,
26 Januari, met MARIA of MARIGJE OSSE, dochter
van GLAAS HENDRIKS OSSE , Collecteur der Verponding
van Steenwijkerwold te Steenwijk.
GLAAS OSSE was zelf een verre afstammeling
van de SCHULTINKS van Steenwijkerwold en erfge-
Wumkes.nl
184
naam van het grootste deel hunner goederen, onder
anderen van de bakermat dezer familie, het erf'
ScHULTiNCK aldaar,
Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren:
REGINA en REIMLDA. REGIKA huwde met THEODORUS
SCHERMER te Wormerveer, in deze eeuw
overleden, waarvan in N. Holland nog sommige
der SCHERMERS afstammen.
REKILDA huwde met den weduwenaar van ANNA
MARIA MUURLINK, JOANNES RIESEVELD , die van
Oldemark naar Kampen ging wonen. Uit dit
tweede huwelijk werd hun te Kampen, in 1783,
geboren eene dochter, MARIA CHRISTINA , die in
1806 huwde met F. P. A. HEERKENS , raadsheer
in liet Hof van Zwolle. Bij een hunner dochters
te Zwolle, kan men nog liet rijke zilver- en porselein-
geraad van deze Sneeker SCHULTISKS zien. r)
Slagharen, I. HOGEMAN.
7 November 1890. 
Hamconius, Martinus (I6660)
 




StamboomOnderzoek.com / The Next Generation of Genealogy Sitebuilding © Darrin Lythgoe