StamboomOnderzoek maakt gebruik van cookies. Wat houdt dit in? Info
Terug naar Startpagina van StamboomOnderzoek.com

Martinus Hamconius

Mannelijk 1551 - 1620  (69 jaar)


Persoonlijke informatie    |    Alles    |    PDF

  • Naam Martinus Hamconius 
    Geboren 1551  Follega Zoek alle personen met gebeurtenissen in deze plaats 
    Geslacht Mannelijk 
    Overleden 1620 
    • Occupation:
      Place: Post -en accijnsmeester in Lemmer,Substituut Grietman Lemsterland voor de ziekelijke Idsard Stynthiema,Dijkgraaf Zevenwouden,Grietman Doniawerstal

      Individual Note:
      HAMCONIUS, MARTINUS Frisia seu de viris rebusque illustribus. Franeker 1620. Geb., geïll., ca. 260 p.
      1620 Hamconius (1550?-1620) was (substituut-) grietman van Lemsterland en Doniawerstal en koos bij de opstand de Spaanse zijde. Daarom moest hij uit Friesland vertrekken. Dit is zijn hoofdwerk, voor het eerst verschenen in 1609 (en in 1623 ook nog voor de tweede maal herdrukt). Deze herdrukken zijn uitgebreid met 50 geëtste portretten van de graven en heren van Friesland en een portret van de auteur door Pieter Feddes van Harlingen.

      Marten Hamkes, Marten Hamckema of Martinus Hamconius om 1550 hinne berne yn Follegea, heart ek ta in groep dy't wol dy fan de apokrife skiedskriuwers neamd wurdt. Der wurde yn syn wurk noch al wat folkloristyske aspekten oantroffen.

      Onze oude Friesche geschiedschrijver Hamckema
      (Hamconius), die zijn werk in Latijnsche dichtmaat
      heeft geschreven , vermeldt in den text, dat het
      Tjeukemeer vroeger een bosch is geweest, (Tyulrius
      hic lacus est. Quondam Nemus.)
      Volgens zijne kantteekening wil de overlevering,
      dat daar, waar nu het meer is, in oude tijden veengronden
      waren, die dooreene vrouw Tjeuke genaamd,
      in brand zijn gestoken en daardoor tot diep in den
      grond zijn uitgebrand en in. een poel veranderd.


      Uit:
      DRIEENZESTIGSTE
      V E R S L A G
      DER
      Handelingen van het Frieseh Genootschap
      VAN
      GESCHIED-, OUDHEID- ES TAALKUNDE TE LEEUWARDEN,
      over het jaar 1890—1891,
      uitgebracht in de vergadering van den 6 Oct. 1891.,hierin staat:

      Ten slotte leverde de Heer J. Hogeman, van Slagharen,
      eene korte bijdrage over het boek Frisia en het nageslacht
      van Hamconius, eigenlijk Marten Hamkema geheeten,
      waarvoor Spreker de gegevens had gevonden in het archief
      der familie Muurlink te Oldemark. Daar was hem in handen
      gekomen een exemplaar van de Frisia van het jaar 1607,
      uitgegeven te Munster bij denzelfden drukker als dat van
      1609, welke uitgave men tot nu toe voor de laatste had
      gehouden. Uit de familie-aanteekeningen , die in dit exemplaar
      werden aangetroffen, zou volgens Spreker blijken,
      dat het afkomstig was van de eenige dochter van Hamconius,
      die in of bij de Lemmer met Jacobus Seta was
      gehuwd geweest.

      Men denke ook aan
      den hamer, het wapen van den Oud-Germaansclien
      Thor. Evenals de benaming van
      ander wapentuig, van den helm, den speer
      (ger of geer) , liet schild , het harnas (bron) ,
      zoo was ook liet woord hamer, op zich zelven
      of in samenstellingen, bij de oude Germanen
      tot eenen naam geworden , dien men jonggeborenen
      knaapkens gaf. FÖKSTEMANN, in zijn
      „Altdeutscb.es Namenbuch", geeft eenige voorbeelden
      van zulke mansnamen op: Hamar,
      llamerich , HameroJ†. Ook de oude Friezen ,
      als echte Germanen, volgden deze zede. Mij
      is deze naam, in drie vormen, J-Jamar, Hamer,
      Hammer, voorgekomen in oude geschriften, als
      eigen aan Friesche mannen. Waarschijnlijk is
      de hedendaags onder de Friezen nog gebruikelijke
      mansnaam Hamke, Hamho, Hamco (met
      de daarvan afgeleide geslachtsnamen Hamkema
      en Hnmkes en het verlatijnschte Ilamconius

      Uit de Friese volksalmanak 1891:

      MaRTINUS HAmCOMIUS,
      (MARTEN HANKES.)
      Iets over zijn geelacht en zijne schriften.
      Wat J. VAN DOOBNINCK in den Overijselschen Alm.
      voor Oudheden, jaarg. 1838, schrijft van AREND
      TO BOBCOP, burgemeester van Kampen, dat hij was
      „een man van vast karakter" bij zoo veel karakterloosheid
      in den veel bewogen tijd van de tweede
      helft der 16e eeuw, zal men, welke politieke denkwijze
      men ook moge toegedaan zijn, moeten toekennen
      aan HANCOMIUS , den schrijver der Frisia.
      Van dit werk zijn twee uitgaven bekend. De
      eerste van 1609, gedrukt te Munster, de andere
      gedrukt te Franeker in 1620. Van de laatste uitgaaf
      (ab authore recognitum, etc.) bestaan weer
      verschillende exemplaren ; het eene, met het zwarte
      wapen en de opdracht aan clen Aartshertog, door
      HANCOMIUS (Hamconius) zelf geschreven, — het
      andere, met het roode wapen en eene opdracht aan
      de Staten van Friesland, is waarschijnlijk van de
      hand van PIEHIUS WINSEMIUS.
      HANCOMIUS toch was vóór 1620 reeds overleden.
      WINSEMIUS , die in geschiedbeschouwing eene te
      geringe critiekegeest betreffende FUKMBEIUS, SUITRIPUS
      PETRI en HANCOMIUS bezat, tegenover de overcritiek
      van TJBBO EMMIUS , — vooral als deze de geschiedenis
      naar zijne opgevatte ideën plooit, — moest
      in den lof der Friezen en nog meer in de liefde
      voor vaderland en voorzaten, die in het werk van
      HANOOMIUS doorstralen, wel behagen vinden, waar-
      Wumkes.nl
      176
      om hij, wenschende dat zijn werk ook in Friesland
      gebruikt zou worden, het daarom met een ander
      uithangbord voorzag.
      Wat wij verspreid vonden over den genoemden
      schrijver, over zijne leven, zijne werken, zijne voorouders
      en, vooral ook aangaande zijn nakroost,
      wenschen wij, op verzoek der redactie, thans mede
      te deelen.
      Voor eenige, tot nog toe geheel onbekende narichten
      wegens 's mans nakroost, moet ik echter
      eerst mijn dank brengen aan de familie MUURLINK
      en vooral aan Juffer MARIA MUUBLINK te Oldemark,
      die mij, zoo welwillend, haar geheel familie-archief
      liet doorsnuffelen.
      MARTEN HANKES T) gewoonlijk HANCOMIUS genoemd,
      werd omstreeks het jaar 1550 te Follega, bij de
      Lemmer, geboren. FOPPENS (Bibl. Belg. I I , 155)
      stelt zijn overlijden even vóór het jaar 1620. In
      een lijkzang op zijn zoon JOACHIM, pastoor en aartspriester
      te hingen, in het jaar 1607 overleden,
      roemt hij de eervolle voorzaten van dezen zoon ,
      welk gedicht in de Frisia is afgedrukt.
      'J Zijn vader zou HANKE HANKEMA geheeten hebben.
      (Nieuwe Naamlijst der Grieten., bl. 345), wat
      echter niet waarschijnlijk is. In 1543 vindt men in de
      Benefîciaalboeken van Friesland te Lemmer, HANKE
      LIKKLIS, T.JAEM HANKES en te Follega HANKE MERKE.
      Ben dezer zal wel de vader of grootvader van onzen
      MAETEN zijn geweest. In de Lemmer komt ook voor
      SIPKE HOLLIS en te Follega BONTE HOLLIS en in beide
      plaatsen HOEGT HANNES. HANKE zal wel de verkleinvorm,
      het deminutivum van HANNES (= JOANNBS) en
      HOLKES het deminutivum van HOLLIS , tweede naamval
      van HOLLE, zijn. Een dezer, HOLLIS, was misschien
      de grootvader van JOCHEM HOLKES, de vader
      van de vrouw van MAKTEN HANKES.
      Wumkes.nl
      177
      De Betoverovergrootvader van JOACHIM of zijn
      eigen overovergrootvader was DIRK HANKEMA , die
      in 1422 de Lemmer , bij de verdrijving der Hollanders,
      verdedigde. Zijn beide overgrootouders (de
      betovergrootvaders van JOACHIM) waren Grietmannen.
      BÜHO VIBIUS JOLLEMA was Grietman van Doniaicerstal,
      vermeld in de Sassensche Ordonnantie,
      en AüGusTiNus STHYNTHIEMA, grietman van Lemsterland,
      die in 1498 bij Saaxum sneuvelde. Een broer
      zijner vrouw, (de oom van moederszijde van JOA-
      <;IIIM) , was advokaat' bij liet Hof van Friesland,
      terwijl de broer van HANCOMIUS , bijgenaamd MYüicA
      was ANDREAS HANGOMIUS MYRIGA, (die oom van
      vaderszijde van JOACHIM wordt genoemd) om zijne
      studiën te voltooien, verscheidene universiteiten
      van Duitschland, Frankrijk en Italië bezocht had
      en zeer bedreven was in het Hebreeuwscli, liet
      Ghaldeeuwsch, liet Grieksch en Latijn en ook vooral
      in de geneeskunde uitblonk. Hij vestigde zich te
      Leeuwarden, huwde aldaar en practitiseerde hier
      verscheiden jaren zeer gelukkig als geneesheer,
      totdat hij daar in 1585 aan het graveel overleed.
      Hij moet, behalve over geneeskunde ook
      veel over gewijde zaken, geschreven hebben, doch
      bij het naderen des dcods dit alles hebben doen
      verbranden. SÜFFRID. PETRI meldt dit alles van
      hem Decae XIII.C.VI.
      Wegens het overlijden zijns vaders werd onze
      MARTEN HANCOMIUS spoedig van de.studie, waarheen
      hij gezonden was, teruggeroepen. Hij was
      reeds ervaren in de rechten en had de talen geleerd.
      Nu moest hij het vaderlijk erf bebouwen.
      „Kus colo", zegt hij in een gedicht, waarin hij
      zijn leven en lotgevallen meldt, hetwelk FOPPENS
      (1. c.) mededeelt, doch hetgeen in mijn- uitgaaf der
      12
      Wumkes.nl
      178
      Frisia van 1609 niet staat, en door onze schrijvers
      over zijn leven niet schijnt gebruikt te zijn.
      Daar hij zoo spoedig de studie moest vaarwel zeggen
      noemt FOPPENS hem „genoegzaam, een autodidact".
      „Ad studium missus revocor mox funere patris".
      Bekend is van HANCOMIÜS , dat hij driemaal verbannen
      werd, en dit gebeurde, zegt hij, wegens
      zijne liefde tot den koning, „amoris regis".
      Di-oevige en blijde toestanden heb ik, meldt hij,
      beleefd, want werd ik driekeer verbannen, ik keerde
      niet enkel driemaal terug , maar werd ook met eereposten
      bekleed. Hij was dan ook post- en accijnsmeester
      in de Lemmer en Substituut-grietman van Lemsterland
      voor den ziekelijken IDSARD STYNTHIEMA, zeer
      waarschijnlijk nog een verre naneef van hem, zooals
      uit het voren medegedeelde betreffende zijne
      voorzaten mag worden afgeleid. Volgens de Conseriptio
      Exulum was hij met zijn vrouw id 1580
      in ballingschap gegaan. Hierna werd hij dijkgraaf'
      van de Zevemvoiiden, dus over de dijken, loopeude
      van het Roode Klif tot aan Veenhuisen of Kuinre.
      en daarna G-rietman van Doniawerstal. In zijne
      eerste ballingschap schreef hij, den 21 Augustus
      1581, met andere ballingen, HANS ROORDA , OENZE
      WIZTSMA , Grietman van Dantumadeel en MARTEN
      BOUTSMA een brief aan de ontevreden landlieden
      van Oostergo, om tot de gehoorzaamheid van den
      Koning terug te keeren, (SCHOTANUS, Priesche Hist.
      bl. 801). Den 25 November 1601 gelastte het Hof
      van Friesland tegen hem te ageren, omdat hij zich
      ophield bij dieg'enen, die den Koning getrouw waren.
      Eenmaal, zoo schrijft hij zelf, is hij overwonnen
      in een gevecht en viermaal bij belegering, waarbij
      hij eens, door te zwemmen uit een ingenomen stad,
      is ontkomen.
      Wumkes.nl
      179
      Behalve de verzen, waarin hij den mislukten
      krijg van JAN KASIMIE met GERARD TRUCHSES , den
      afgezetten Aartsbisschop van Keulen, tegen ERNST
      VAN BEIJEREN , den nieuw benoemden Aartsbisschop,
      beschrijft, en een werkje: „Theatrum regum ponti-
      „ficum et principium Frisiae, — Verthoninge der Ko-
      „ningen , bisschoppen, princen enz. van Friesland",—
      is zijn voornaamste werk het vorengemelde „Frisia",1)
      waar hij in zesvoetige Latijnsche verzen de beroemdste
      feiten en personen van Friesland bezingt. In bovengenoemde
      levensbeschrijving van zich zelven, zegt hij
      hiervan, dat hij, hoe ook herhaaldelijk gedrukt
      door ballingschap en meermalen overwonnen, echter
      nog steeds met krachtigen moed de daden en 't
      geloof der voorouderen bezingt, daar de deugd
      .alleen bij hem dieper ingedrukt is , dan ai die
      rampen. „Sed forte usque animo patrum cano
      „gesta fidemque, altior est virtus omnibus una malis."
      Tot nog toe meende men, dat de eerste uitgaaf
      van het gedicht Fr is ia van het jaar 1609 was:
      ik vond echter in het archief van de MUUBLINK'S
      bovenvermeld, eene uitgaaf van 1607 , van den
      zelfden drukker als die van 1609. Ook bleek ons
      uit een tot het archief van die familie behoorend
      stuk, dat de vader van de vrouw van HANKEMA ,
      JOACHIM heette, naar wien zijn zoon, de vroeger
      vermelde pastoor van hingen, zal genoemd zijn.
      In dat stuk, van het jaar 1586, verhuren MARTEN
      HANKES en BIN JOCHEMS , echtelieden, aan SIMON
      MELES en SIDS, zijne vrouw, een erf of land bij de
      Lemmer of Follega gelegen.
      Hetzelfde archief bevat mede andere stukken,
      l) Frisia, seu de viris rebusque Frisiae illustribus,
      libri II. — Monasterii Westph. Typis L. Rasfeld(i)i.
      Anno MDOIX.
      Wumkes.nl
      180
      die ons met sommige afstammelingen van HANCOMius
      bekend maken. Daartoe dragen vooral bij
      eenige familie aanteekeningen in de uitgaaf der
      Frisia van 1607, wolk exemplaar door HAXCOMIUS
      zelf aan zijn schoonzoon schijnt vereerd te zijn.
      In zijn bovenvermelde» levensbeschrijving zegt
      HAKCOMIUS , dat hem drie zoons of drie kinderen ,
      de een, eene dochter, werden geboren. „ Tres nati
      „miki filia nascitur una." Men kan het verstaan
      drie zoons , eene dochter, dus vier kinderen, docli
      men kan er ook uit lezen : drie kinderen, (waarvan)
      de een , eene dochter.
      Zijn zoon JOACHIM, geboren in 1576, werd in
      1596 te Leuven tot meester in de vrije kunsten
      gepromoveerd. Hij was primus of de eerste in
      vordering, doceerde zeven jaren lang de wijsbegeerte,
      werd priester gewijd- in 1602 en verkreeg
      met lof (cum laude) het licentiaat in de godgeleerdheid.
      De Aartshertog belastte hem met eene
      zending naar Friesland, en toen Lingen den 19
      Aug. 1605 tot de gehoorzaamheid des konings
      was teruggebracht, werd hij in 1606 aldaar tot
      pastoor en aartspriester of deken , door SASBOLD
      VOSMEER , den pauselijken Vicarius, aangesteld. Hij
      overleed te Lingen den 2 Sept. 1606 „tot groote
      droefheid der burgers en van alle brave lieden"
      aan de pest, in den ouderdom van 30 jaren 10
      maanden en 16 dagen. ')
      ') Ik mag niet nalaten hier te vertalen, wat B. A.
      CTOLDSMIT) in zijn „Gescliiehte der Grafschaft Lingen,,'
      bladz. 91—93 over MAKTEN en zijnen zoon Jo.umm
      meldt „MARTFN HAXCOMII'S schijnt ook te Lingen bij-
      „zonder belang in de kerkelijke aangelegenheden gerateld
      te hebben, daar hij in onderscheidene oorkonden
      Wumkes.nl
      181
      Gelijk wij boven zagen, was MARIEN HANKEMA
      eerst postmeester.
      Eene attestatie van 1617, en ook nog eene van
      1629, melden, dat MABTEX HANKES de post aan
      de Lemmer gepacht had voor 600 car. guld. Nog
      een ander getuigenis, van 1690, meldt, dat PIER
      SETA, notaris, de gerechtigheid van de post geërfd
      had van zijn vader TETARDUS of TJEERT JACOBS
      SETA. Uit het archief is verder met zekerheid op
      te maken , dat de eenige dochter van HANCOMIUS
      gehuwd was met JACOBUS SETA, wiens zoon TETAEDUS
      , in het exemplaar dezer Frisia, heeft aangeleekend,
      dat hij is de eigenaar van dat boek. Een
      broer zijner moeder, dus een andere zoon van
      HANCONIÜS , met name SABIKÜS of CEABINUS, (onduidelijk
      is dit) schrijft daarin duidelijk aan TETAKDUS
      deze verzen -
      Ingenii Martini ferax stirps Hankema pulsat
      Martini Hancomii ut facta sequaris avi
      Istos Tibi versiculos „' , . ' avunoulus liausit
      • ( Orabmus
      Ut patrem ipse tuque sequaris avum.
      Hierin spoort SABINUS, broeder zijner moeder ,
      (avunculus) onzen TJEERT alzoo aan, om zijn grootvaders
      daden na te volgen, zooals hij zelf hem ,
      die zijn vader was, navolgde.
      „als getuige voorkomt met het praedicaat „vir apec-
      „tafcae virtutis", „een man van uitstekende deugd." Ook
      „een vriend van hem, dien hij een exemplaar van zijn
      „Frisia schonk, noemt hem daarin „een door deugd
      „en geleerdheid uitstekend man. SASBOLD noemt
      „JOACHIM in zijn schrijven een heilig man. Hij stierf
      „vermoedelijk ten gevolge zijner zielenijver brj pest-
      „zieken, aan de pest, betreurd door de burgers en
      «alle braven."
      Wumkes.nl
      182
      'Achter, in dat zelfde exemplaar van TJEERT
      JACOBS SETA, staan in 't Latijn volgende geboorteaanteekeningen,
      die duidelijk dezen TJEERT gelden:
      Anno 1610 zijn wij getrouwd. (Is dus TZEERT
      gehuwd).
      1611. 12 Julij, is geboren onze dochter BIN. Deze
      is dus genoemd naar hare grootmoeder van moederszijde,
      de vrouw van HANGOMIUS, BIN JOCHEMSIIOLKBMA.
      1612 is geboren onze zoon JACOBUS , gestorven
      1618, dus genoemd naar zijn vader JAOOBUS SËTA.
      1613. 2 Novemb., is geboren BIN ; dus de eerste
      BIN was gestorven.
      1616 is geboren onze zoon JOACIIIM. Genoemd,
      of naar zijn vaders grootvader van moeders zijde,
      JOACHIM HOLKEMA , of naar zijn oudoom, den pastoor
      van Lingen.
      1617 is geboren MARTINÜS. Deze stierf 1641 ,
      en zal naar onzen MAKTEN genoemd zijn.
      1619 is geboren BUERIUS of PIERIUS; vaak genoemd
      PIERIDS HANCOMIÜS SETA. Deze is notaris
      geweest op de Joure, leefde nog in 1675, doch.
      was in 1687 reeds overleden. Deze notaris liet
      twee dochters n:i: NAMKE en JANNEKE. JANNEKE
      huwde met den notaris STEPHAKDS SUHULTINK, die
      zijn schoonvader reeds in 1687 als notaris te Joure
      was opgevolgd en nog in 1723 als notaris aldaar
      fungeerde, doch vóór 1728 was overleden Hij
      bezat met JAN SCHULTINK , wijnkooper te Sneek,
      gemeenschappelijk eenige goederen, vooral te Beels
      en Oldeooom. Deze JAN was blijkbaar zijn broeder.
      Het schijnt zeker, dat de vader van STEPHANUS, de
      notaris, was CORNELIUS LAMBERTÜS SCHULTISCK, die
      in 1642 huwde met SIJTSKE STEVENS en te Beets
      woonde of ging wonen, naar welken STEVEN onze
      notaris STEPHANÜS zal genoemd zijn.
      Wumkes.nl
      183
      Notaris STEPHANUS SCHULTINCK had een zoon Mr.
      - PIERIÜS HANCOMIÜS SCHULTINCK , naar zijn moeders
      vader genoemd, die advokaat bij het Hof van
      Friesland was. Deze huwde met ANNA NADTA en
      had twee kinderen: BAVIDS SCHULTINCK en FLORENTIA
      SCHULTINK.
      Nog had STEPHANÜS twee dochters: IKA ook
      IDA in de stukken genoemd, die huwde met
      HERMANDS DE JONG , koopman te Kuinre en AALTJE,
      de oudste, die huwde met den weduwnaar HENRIcus
      MUURLINK aan de Oldemark, waarvan een
      dochter VROÜWKE , die echter geen kroost heeft
      nagelaten.
      Ten opzichte dezer Friesche SCGÜLTINCKS meenen
      wij, ofschoon dit niet meer het bloed van HANCOMIDS
      geldt, nog het volgende te moeten mededeelen.
      Bovengenoemde broeder van den notaris STEPHANDS
      , namelijk JAN SCHULTINCK, huwde in 1673
      te Worhum met TIMENTJE SPANGA, doch woonde
      in 1693 te Sneek, waar hij wijnkooper was. Van
      meer kinderen kwamen slechts drie tot rijpere jaren,
      als: Mr. JACOBUS, die advokaat was bij het Hof
      van Friesland, BARRARA, die huwde met BEGNERÜS
      HAAKSTRA , brouwer te Sneek, en CORNELIUS , die
      zijn vaders zaak, den wijnhandel, voortzette. CORNELIDS
      huwde te Sneek in 1715 met RINSKE BÜRDES of
      BERNARDS , die meer kinderen hadden , doch waarvan
      slechts een zoon, BERNARDÜS SCHULTINCK , geboren
      in 1724, in leven bleef. Deze huwde in 1751,
      26 Januari, met MARIA of MARIGJE OSSE, dochter
      van GLAAS HENDRIKS OSSE , Collecteur der Verponding
      van Steenwijkerwold te Steenwijk.
      GLAAS OSSE was zelf een verre afstammeling
      van de SCHULTINKS van Steenwijkerwold en erfge-
      Wumkes.nl
      184
      naam van het grootste deel hunner goederen, onder
      anderen van de bakermat dezer familie, het erf'
      ScHULTiNCK aldaar,
      Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren:
      REGINA en REIMLDA. REGIKA huwde met THEODORUS
      SCHERMER te Wormerveer, in deze eeuw
      overleden, waarvan in N. Holland nog sommige
      der SCHERMERS afstammen.
      REKILDA huwde met den weduwenaar van ANNA
      MARIA MUURLINK, JOANNES RIESEVELD , die van
      Oldemark naar Kampen ging wonen. Uit dit
      tweede huwelijk werd hun te Kampen, in 1783,
      geboren eene dochter, MARIA CHRISTINA , die in
      1806 huwde met F. P. A. HEERKENS , raadsheer
      in liet Hof van Zwolle. Bij een hunner dochters
      te Zwolle, kan men nog liet rijke zilver- en porselein-
      geraad van deze Sneeker SCHULTISKS zien. r)
      Slagharen, I. HOGEMAN.
      7 November 1890.
    Persoon-ID I6660  esjee
    Laatst gewijzigd op 13 dec 2007 

    Vader Hamcke Murcks,   geb. 1510,   ovl. vóór 1564  (Leeftijd < 54 jaar) 
    Moeder Ferdie Gabes Boelema 
    Getrouwd vóór 1547 
    Gezins-ID F1193322759  Gezinsblad  |  Familiekaart


Zoek persoon in andere databases 





StamboomOnderzoek.com / The Next Generation of Genealogy Sitebuilding © Darrin Lythgoe