StamboomOnderzoek maakt gebruik van cookies. Wat houdt dit in? Info
Terug naar Startpagina van StamboomOnderzoek.com


Zoek op naam

Familienaam:
Voorna(a)m(en):
Zoek alle stambomen


Overige opties






Aantekeningen


Treffers 1 t/m 50 van 965

      1 2 3 4 5 ... 20» Volgende»

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
1 toeg.nr 30-16 invent.nr. 3007 o.a.h. B 23 | van der Veen, Bontje Jochems (I40013)
 
2 "aged 40". Dawson, John (I38564)
 
3 "inf". Dawson, Charles (I38568)
 
4 "Mary Sharpe, aged 74". Nicholson, Mary (I38565)
 
5 (BS Maasland, akte van geboorte nr. 20). Gedoopt Maasland 02-06-1838, doopreg. 6-237. Getuigen: Adrianus Paalvast en Catharina Paalvast. van Rooijen, Petronella (I39163)
 
6 (BS Maasland, akte van geboorte nr. 61). van der Loos, Johannes (I39162)
 
7 (BS Naaldwijk, akte van overlijden nr. 22). Beroep tuinier. Ouders: Pieter van der Loosen Maria Cramer, beroep werklieden. van der Loos, Johannes (I39162)
 
8 (BS Naaldwijk, akte van overlijden nr. 74). Beroep dienstbode. van Rooijen, Petronella (I39163)
 
9 (Was ongehuwd) Beenen, Jelle Egberts (I23120)
 
10 * huwelijksacte nr. 60. Elshoff, Hendrika Hermina (Rika) (I30219)
 
11 00.30 uur Gieles, Agatha (I26159)
 
12 02.45 uur Ros, Johannes (I22764)
 
13 03.00 Alferink, Bernardus (I41826)
 
14 03.00 Verschoor, Aleida (I41837)
 
15 04.00 Nahuis, Berendina Maria (I22765)
 
16 1-2-1846 vertrokken naar Delden, 1848 naar Ambt-Delden Lette, Albertus (I18679)
 
17 1.1.1.3.3.3. Leemburg, Jacob Tammes (I22847)
 
18 139 de Jong, Douwe Baukes (I39591)
 
19 16.00 uur Getuigen aangifte: Gerrit Hendrik van Buuren & Jacob de Vries Nahuis, Berendina Maria (I22765)
 
20 16650 Glazer, Irving David (Snookey) (I35497)
 
21 1841 Waterhouse, William (I38443)
 
22 1871 Waterhouse, William (I38443)
 
23 1881 Waterhouse, William (I38443)
 
24 1891 Waterhouse, William (I38443)
 
25 18:00 van der Velde (V), Klaaske Aukes (I40242)
 
26 20-04-1749 Beetsterzwaag Gedoopt Martjen Sjoerds (I8298)
 
27 21-2-1934 Enschde, Borneostraat 47 Effting, Johanna Regiena (Gien) (I13361)
 
28 2615 Kunkle, Charles Lyle (I32736)
 
29 2616 McFeaters, Dolly (I32737)
 
30 330 Weijers, Berend (I31754)
 
31 335 Jonker, Aaltjen (I31740)
 
32 38GH-X0 Robinson, Martha (I38075)
 
33 39 Hakze, Jantje (I24645)
 
34 4 mnd oud Frontroth, Klaas Simon (I32715)
 
35 4. Hilligje de Graaf, geboren op 06-08-1839 te Steenwijk, ongehuwd overleden op 15-02-1899 te Steenwijk. Ze was een dochter van Sent de Graaf en Grietje Buisman en aldus een tantezegster van Aaltje. Ze kreeg te Steenwijk maar liefst vijf buitenechtelijke kinderen:

a. Pietertje de Graaf, geboren te Steenwijkerwold


b. Jan de Graaf, geboren te Steenwijk op 1 januari 1868


c. Jan de Graaf, geboren te Steenwijk op 16 juli 1873


d. Geertje de Graaf, geboren te Steenwijk op 28 februari 1876


e. Lena de Graaf, geboren te Steenwijk op 16 januari 1879


 
de Graaf, Hilligje (I3269)
 
36 434 Kobes, Hermina (I31739)
 
37 56 jaar Outhuijse, Johan Christoffel (I39662)
 
38 613 Jongedijk, Loltje Wolters (I26884)
 
39 7:00 Appelman (V), Martzen Martens (I40260)
 
40 91 jaar Kristel, Anna Susanna (I39663)
 
41 http://home.kpn.nl/sientje-1/gen/bokdam/bokdam-frm3.htm Bokdam, Wim Gerijsen (I8218)
 
42 http://home.kpn.nl/sientje-1/gen/bokdam/bokdam-frm3.htm van 't Logter, Wilmken Wessels (I8219)
 
43
ement span12 wpb_text_column" style="margin-bottom: 10px; width: 1170px; float: left; margin-left: 30px; min-height: 1px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">v class="wpb_wrapper clearfix" style="text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;"> font-weight: 300; color: #7d7d7d; margin: 10px 0px; line-height: 42px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">Rolln Frits style="white-space: normal; word-spacing: 0px; text-transform: none; color: #7d7d7d; font: 300 14px/22px Arial, Arial, Helvetica, Tahoma, sans-serif; margin-left: -30px; widows: 1; letter-spacing: normal; background-color: #ffffff; text-indent: 0px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased; -webkit-text-stroke-width: 0px;">edenen wpb_text_column" style="margin-bottom: 10px; width: 570px; float: left; margin-left: 30px; min-height: 1px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">="wpb_wrapper clearfix" style="text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">ntialiased;">border-left-color: #7d7d7d; font-weight: normal; color: #7d7d7d; padding-bottom: 4px; margin: 0px 0px 20px; display: inline-block; border-right-color: #7d7d7d; line-height: 24px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">23-05-1848 † 31-05-1912-webkit-font-smoothing: antialiased;">Een geit en paard met wagen in Hengelo stonden aan de wieg van het bedrijf dat in 2000 met zeer geavanceerde technieken de Russische kernonderzeër Koersk van de oceaanbodem liftte. Het transport- en kraanbedrijf die dat staaltje van hijskunst verrichtte, heet Mammoet. Een spruit van het oer-Hengelose transportbedrijf Van Wezel.


Albert van Wezel trouwde in 1845 met Dina Wilmink. Op zich is dat, behalve voor de familie Van Wezel, niet zo veel bijzonders. Veel interessanter is het huwelijksgeschenk. Albert krijgt van zijn ouders, die een winkel en 1,8 hectare landbouwgrond bezitten, een geit en een paard en wagen cadeau. Nou is een geit in die tijd voor veel meer Hengeloers een noodzakelijke behoefte. Het dier vreet alles wat los en vast zit en geeft nog melk ook. De paard en wagen is andere koek. Albert begint er een transportbedrijf mee, een sleperij. Hij sleept letterlijk opdrachten binnen van boeren die zelf niet met graan naar de molenaar willen zeulen. Hij brengt in die periode hout uit de Twickels bossen naar de zagerij en versleept zand naar en van plekken waar wordt gebouwd.


Vijf jaar later ziet Albert enorme kansen voor z’n sleperij als de Koninklijke Weefgoederenfabriek zich in Hengelo vestigt en Charles Theodoor en Jurriaan Engelbert Stork hun opwachting in het dorp maken. Charles komt in die tijd elke dag per koets van z’n woonplaats Oldenzaal naar Hengelo. Zijn paard stalt ie bij Albert. Van het een komt het ander. Charles betrekt Albert bij de bouw van eerste fabriek. De sleper kan het werk nauwelijks aan waardoor hij genoodzaakt wordt meer paarden en wagens te kopen. Wagens met eiervering deze keer, een noviteit waardoor het makkelijker wordt om bijvoorbeeld kisten te vervoeren.
Klaarblijkelijk is erg grote behoefte aan transportmiddelen, want de activiteiten van Van Wezel groeien en groeien. Albert en z’n medewerkers halen kolen weg bij het kanaal Almelo en vervoeren stukgoed van Deventer naar Twente. Geen ongevaarlijke onderneming vanwege struikrovers die langs de paden op zoek zijn naar buit. Overigens staat nergens in de annalen van het bedrijf opgetekend dat Albert ooit is beroofd. Allengs worden de lange tochten naar Deventer steeds minder frequent. De Storken breiden hun invloed en werkzaamheden in Hengelo uit waardoor het werk verder aantrekt en Albert zich steeds meer op ondersteuning van de industrie richt en zich daarin specialiseert.


Als de gebroeders Stork de machinefabriek in 1868 van Borne naar Hengelo verhuizen, is de beer voor Van Wezel los. Het vervoer geschiedt nog met platte sleperswagens en een mallejan, een eenassige kar om stamhout uit het bos te halen. In eerste instantie schaft Stork zelf paarden aan om op zijn bedrijfterrein zware materialen van en naar de gieterij en de spoorwagons te vervoeren. Maar al heel snel wordt Van Wezel ingeschakeld.


Inmiddels heeft Albert’s zoon Frederik, Rolln Frits voor intimi, zijn intrede gedaan. Hij is uit hetzelfde hout gesneden als zijn vader. Rolln Frits heeft al heel snel door dat de toekomst van het familiebedrijf ligt in de ontluikende industrie. De snelgroeiende weefgoederenfabriek is de belangrijkste opdrachtgever, maar Frits weet later ook bedrijven als Heemaf en de Twentsche Electriciteitscentrale aan zich te binden.


Frits neemt de zaken over van z’n vader Albert die in 1870 sterft en wordt begraven op de begraafplaats aan de Bornsestraat. Hij trouwt met Coba Groothuis. Het stel verhuist met het vervoersbedrijf naar de Langelermaatweg 208. Daar heeft de verdere expansie plaats en worden twee zoons geboren. Albert en Hendrik. Albert is beoogd opvolger. Helaas is hij door een lichamelijke handicap niet geschikt voor het zware vervoerswerk. Vergeet niet dat de Van Wezels zelf ook de handen uit de mouwen steken en het verladingswerk doen. Hendrik is de logische tweede keus. Samen met zijn vader voert hij de directie. De taakverdeling is al meteen heel duidelijk. Vader Frits bemoeit zich met de kistenwagens en zoon Hendrik voert het bevel over de het kolenvervoer en de werkzaamheden voor de machinefabriek. Het bedrijf heeft dan tien paarden op stal staan.


Frits maakt het eerste deel van de wijk Tuindorp ‘t Lansink nog mee. De zandaanvoer gebeurt met een ‘kipkarre’ vanaf de put aan de Fabelenweg. Om stagnatie van de aanvoer te voorkomen, bouwen de Van Wezels een extra stal aan de Heideweg, nu het kanaal.


Hendrik bouwt het bedrijf verder uit en als zijn vader sterft, staat transportbedrijf Van Wezel als een huis, dat tot aan 1972 door achtereenvolgens Frits en Henk wordt bestierd. Daarna volgt de fusie tot Mammoet dat uitgroeit tot een wereldspeler van formaat.


 
van Wezel, Frederik (I18590)
 
44
ement span12 wpb_text_column" style="margin-bottom: 10px; width: 1170px; float: left; margin-left: 30px; min-height: 1px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">v class="wpb_wrapper clearfix" style="text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;"> font-weight: 300; color: #7d7d7d; margin: 10px 0px; line-height: 42px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">Hardhorende ketelmakerclass="row" style="white-space: normal; word-spacing: 0px; text-transform: none; color: #7d7d7d; font: 300 14px/22px Arial, Arial, Helvetica, Tahoma, sans-serif; margin-left: -30px; widows: 1; letter-spacing: normal; background-color: #ffffff; text-indent: 0px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased; -webkit-text-stroke-width: 0px;"> span6 oveledenen wpb_text_column" style="margin-bottom: 10px; width: 570px; float: left; margin-left: 30px; min-height: 1px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">moothing: antialiased;">2px solid; border-left-color: #7d7d7d; font-weight: normal; color: #7d7d7d; padding-bottom: 4px; margin: 0px 0px 20px; display: inline-block; border-right-color: #7d7d7d; line-height: 24px; text-rendering: optimizeLegibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">20-05-1854 † 02-03-1929egibility; -webkit-font-smoothing: antialiased;">Ketelmaker Adolf van Wezel werkt al sinds z’n achttiende bij de gebroeders Stork in de machinefabriek. Hij komt regelrecht van moeders pappot en krijgt in de fabriek zijn opleiding tot ketelmaker. Hij is hardhorend, zoals bijna al z’n collega’s. De Hengeloer woont ‘in een eigen woning met zilveren pannen’ aan de Oldenzaalschen straatweg samen met zijn vrouw en vier kinderen.


Heel anders is het Ferdinand Willem Georg Textor vergaan, 46 jaar oud en schaver in de machinefabriek. Hij komt per ongeluk via zijn broer in de fabriek terecht en werkt er onderhand al bijna 25 jaar. “Ik was koopvaardij-zeeman op de Oost en de West. Toen ik eens mijn broer bezocht, werd mij gevraagd of ik niet op de fabriek wilde komen. Dat aanbod heb ik aangenomen.” Van zeeman tot schaver. Geen wonder dat Ferdinand de loftrompet steekt over de werkomstandigheden in de fabriek. Wat wil je ook als je het zeemansleven als referentiekader hebt.


Het is geen pretje om in de fabriekshal te werken waar de ketels handmatig worden geklonken. In de werkplaats liggen weliswaar fijne watten om in de oren te stoppen, maar volgens Adolf van Wezel gebruikt niet iedereen dit ‘voorbehoedmiddel’. “Er zijn mensen die als ze warm zijn en dan de watten uit de oren halen. Als ze buiten komen, krijgen ze door de koude wind tandpijn en daarom gebruiken ze liever geen watten.” De ketelmaker verschijnt in 1890 voor een commissie wijze mannen die een parlementaire enquête uitvoert naar de werkomstandigheden in de fabrieken.


Adolf is dan 36 jaar en niet ontevreden. Alleen het lawaai zou minder mogen. Hij ziet liever dat de klinknagels in de ketels door hydrauliek worden tegengehouden en niet door hem of zijn collega’s. “Het ergste leven is van binnen, meer dan van buiten.”


Hij durft het niet aan om zijn werk de schuld te geven van de gehoorklachten. Je weet namelijk nooit hoe de baas reageert op zo’n aantijging. Daarom gooit hij het over een andere boeg: “Ik geloof dat die hardhorenheid niet alleen ontstaat door het leven, maar hoofdzakelijk door het kouvatten als men een beetje warm zijnde, zich buiten wat afkoelt.” Hij vergoeilijkt nog meer. Zijn gehoor is namelijk niet helemaal weg, meldt hij de commissie. “Ik was eens gedurende drie weken ziek thuis. Ik hoorde op het laatst even goed als een van mijn gezin. Nu heb ik altijd suizingen in de oren.”


In de schaverij is het makkelijker vol te houden. Volgens Ferdinand Textor is het gevaar voor ongelukken niet zo groot. “Als men maar uit de ogen kijkt.” En als onverhoopt machines of gereedschap niet in orde zijn, dan behoeft de werkman het slechts bij de baas te melden. Ferdinand heeft plezier in zijn werk. Hij krijgt 23 cent per uur en nog anderhalve cent premie omdat hij leiding geeft aan negen andere arbeiders die hij zelf heeft opgeleid.


Adolf verdient ook 23 cent per uur. Meest wordt er elf uur per dag gewerkt. Het komt niet zo vaak voor dat wordt overgewerkt of zondagdiensten worden gedraaid. Met fratsen als lezen hoef je niet bij deze ketelmaker aan te komen. “Ik maak geen gebruik van de bibliotheek”, zegt hij. Ook het werk in de Kern, het centraal overleg met de werkgever, ligt hem niet zo. Hij heeft wel eens in het vertegenwoordigend overleg gezeten, maar hij sprak er zelden. “Ik ben slecht van gehoor en ben ook niet zo glad om veel te spreken.”
Dat gaat Ferdinand beter af. Hij leidt jongeren op en houdt ze naar eigen zeggen ferm aan het werk. De leerlingen lopen ook niet weg, want zegt Ferdinand ‘welvarender arbeiders dan bij ons zal men moeilijk zien’. Zijn zoon werkt eveneens bij Stork, in de draaierij. Toch blijkt uit het verhoor door de parlementaire commissie dat de schaver het niet echt breed heeft. Hij zegt overdag in de fabriek toe te kunnen met een boterham ‘zonder iets erop’.


 
van Wezel, Adolf (I18592)
 
45
e="overflow: hidden; height: 748px; white-space: normal; word-spacing: 0px; border-collapse: collapse; text-transform: none; color: #000000; padding-bottom: 0px; padding-top: 8px; font: 12px/1.4em Verdana; padding-left: 3px; clear: both; margin: 0px; widows: 1; letter-spacing: normal; padding-right: 25px; background-color: #ffffff; text-indent: 0px; -webkit-text-stroke-width: 0px; border: 0px;">p style="font-size: 12px; font-family: Verdana; color: #000000; padding-bottom: 10px; padding-top: 8px; padding-left: 0px; margin: 0px; padding-right: 25px;">IMG_0474Het dorp en de latere gemeente Weerselo behoorden tot het vroegere drostambt Twente en maakten als zodanig deel uit van de provincie Overijssel. Het drostambt was weer opgedeeld in richterambten en een aantal steden.


Het dorp

in: 0px; padding-right: 25px;">De oorsprong van de naam Weerselo gaat terug tot het in de 12de eeuw gestichte klooster, dat tegenwoordig bekend staat als het Stift Weerselo. Nabij het kloostercomplex heeft zich in de loop van de tijd een kern van bewoning gevormd, die uitgroeide tot het kerkdorp Weerselo. In het Twents/Nedersaksisch wordt het dorp “Weersel” genoemd. Oudere schrijfwijzen zijn: 1170 Werslo, 1381 Weersle, 1395 Weersele, 1517 Weersloe, 1591 Werselo, 1883 Weerseloo, 1903 Weerselo. Lo betekent bos. Het eerste deel van het woord slaat waarschijnlijk op het Oudnederlandse “wers”, dat woest betekent.


De Nijstad

m: 10px; padding-top: 8px; padding-left: 0px; margin: 0px; padding-right: 25px;">Al in de 16de eeuw vestigden zich voornamelijk aan de oostzijde van het klooster mensen in het woeste veld. Dat gebied heette aanvankelijk De Velthuiser en kreeg later de naam de Nijstad. Geografisch gezien dekken de Nijstad en het dorp Weerselo elkaar voor een belangrijk deel.


De gemeente

om: 10px; padding-top: 8px; padding-left: 0px; margin: 0px; padding-right: 25px;">In het jaar 1811 werden de marken van het oude richterambt Oldenzaal gesplitst in drie gemeenten: de stad Oldenzaal en de gemeenten Losser en Weerselo. In het geval van Weerselo zijn acht marken, die nabij en wat verder weg rondom het kerkdorp gelegen waren, samengevoegd tot de nieuwe gemeente. Dat waren de marken Deurningen, Dulder, Gammelke, Hasselo, Klein-Driene, Lemselo, Rossum en Volthe. Door de samenvoeging van deze marken ontstond één van de grotere plattelandsgemeenten van Nederland. In deze voormalige gemeente Weerselo lagen bovendien nog de kerkdorpen Saasveld, Deurningen, en Rossum. Deze kernen zijn ontstaan na de inval van de bisschop van Munster, Bernhard van Galen in 1665. Toen kregen de katholieken kans zich als zogenaamde staties af te splitsen van de parochie Oldenzaal. Saasveld en Deurningen werden door dezelfde priester bediend en ook Rossum vormde samen met de Lutte een eigen statie. Vooral in de tweede helft van de 20ste eeuw vond in deze kerkdorpen uitgebreide bebouwing plaats. Het Stift Weerselo was het centrum en daar werd ook het eerste gemeentehuis gebouwd. En zo werd Weerselo ook de naam van de nieuwe gemeente. Bijzonder is dat in het huidige dorp Weerselo de grenzen tussen de drie vroegere marken Dulder, Rossum en Lemselo samenkomen.


Gemeentelijke herindelingen

ze: 12px; font-family: Verdana; color: #000000; padding-bottom: 10px; padding-top: 8px; padding-left: 0px; margin: 0px; padding-right: 25px;">In de loop van de tijd heeft de gemeente Weerselo veel grondgebied moeten afstaan aan de gemeente Hengelo en later ook aan de gemeente Oldenzaal. Bij de gemeentelijke herindeling in het jaar 2000 zijn Weerselo, Ootmarsum en Denekamp samengevoegd tot de nieuwe gemeente Dinkelland.


 
Meijerink, Hendrik (I4742)
 
46
10px 2px; padding: 10px;">Heinz Jakobs, "Knapp Gerd, Eine Bluttat und ihr lebensgeschichtlicher Hintergrund"
Uitgever: Burgtor-Verlag, Lingen (Ems, Duitsland), 1995
ISBN 3-921663-17-2
-
Uittreksel door George (Sjors) de Haan, nazaat van de familie Kruis.
-
SAMENVATTING
-
Na afloop van seizoensarbeid in Nederland slaat in de vroege avond van zondag 13 september 1824 de 47-jarige Hollandgänger Gerhard, Bernhard Kruis, zonder vooropgezette bedoeling (maar wèl met tenminste twee motieven!), tijdens een rustpauze op de vier dagen eerder gestarte wandelroute terug van Schipluiden (bij Delft)
op slechts vijf kilometer afstand van zijn woonplaats Suttrup zijn 42-jarige reisgenoot en collega-Hollandgänger Gerhard, Heinrich Langeborg uit Andervenne met een toevallig in een nabij gelegen greppel gevonden knuppel de schedel in.
Direct na deze daad neemt Kruis (geheel wederrechtelijk) uit de rugzak van Langeborg diens geldtasje (met 31 Hollandse guldens) en ook diens persoonlijk gebedenboek.
Als door de politie de avond daarop beide gestolen voorwerpen bij Kruis thuis in zijn reisbagage worden gevonden bekend Kruis onmiddellijk de moord op Langeborg.
Daar op 11 maart 1825 roofmoord door de Rechtbank van Osnabrück niet kan worden bewezen en de dader een zelfbeheerst en goedaardig karakter met een voorbeeldige
levenswandel (zonder strafblad) had en sinds de moord snel en overtuigend berouwvol met justitie had samengewerkt, wordt Kruis naar vigerend Pruisisch landstrafrecht op 19 juli 1825 op de heide bij Kreisstadt Lingen alleen met het zwaard onthoofd en (op humanitaire gronden) niet extra oneervol wordt terechtgesteld door zijn lichaam ook nog eens publiekelijk te radbraken.
Extra opmerkelijk in deze strafzaak is het historische feit, dat Gerhard Kruis de laatste Duitser is geweest die door het zwaard werd terechtgesteld.
-
GERHARD KRUIS, ALIAS KNAPP GERD
-
Gerhard Kruis (als oudste zoon geboren in 1777) stamt uit een arm Heuerlings-gezin, bestaande uit de ouders, vier zonen en twee dochters. Heuerlingen waren een soort lijfeigenen van een gevestigde boer die zorgde voor economische vastigheid en het recht te mogen wonen op een Heuerstelle in een Heuerhaus, meestal gelegen op een lapje grond in de nabijheid van de boerderij.
Tot op de dag van vandaag heeft in Emsland de oudste zoon het volste erfrecht op de boerderij. Tot ver in de 20ste eeuw kregen alle andere kinderen na het overlijden van hun vader alleen het recht op een soort lijfeigenschap. Een eeuwenoud systeem waarbij de jongere kinderen in staat werden gesteld vanuit de ouderlijke boerderij te trouwen en in een aparte huisvesting op het erf of in de nabijheid van de boerderij een gezin te stichten en verder te leven in de kommervolle schaduw van de oudste zoon.
Een Heuerlingsfamilie had de verplichting om voor de genoten bewoning, het verbouwen van voedsel voor eigen gebruik en het houden van wat kleinvee aan de boer pacht te betalen en daarenboven 12 maanden per jaar gratis arbeid ter beschikking te stellen. Al sinds ongeveer 1650 konden Heuerlingen de pacht alleen betalen door
daarvoor in Holland enkele zomermaanden als dagloner te gaan werken.
Voor onterfde boerenzonen betekende hun verblijf in het (in veel opzichten) rijkere en seksueel vrijere Holland een welkome ontsnapping aan hun vernederende en armoedige bestaan als verplichte knecht van hun eigen oudste broer. Let wel: het contrast tussen het primitieve Emsland en het welvarende en in landbouw-industrieel opzicht vooruitstrevender Holland was in de 16de t/m de 20ste eeuw zeer groot.
Menige Hollandgänger had met zijn verblijf in Holland (en in mindere mate in Friesland en Groningen) het gevoel in een fantastische droom te wandelen. Zo at men in Holland
kaas op het brood en kreeg men suiker in verschillende spijzen. Alle twee in Emsland totaal onbekend, waar men (uit armoe en ook om hygiënische redenen) hoofdzakelijk zure breigerechten at. Voorts had men in Holland in de eenvoudigste huizen een aparte haard met schoorsteen. In de Heuerhausen in Emsland verschilde de binnensituatie
nauwelijks met de primitieve lemen plaggenhutten in Drenthe: ook in Emsland leefden de mensen, tesamen met hun kleinvee in een onverwarmde leefruimte.
Als compensatie voor diens afwezigheid was de Heuermann verplicht zijn vrouw en kinderen 12 maanden per jaar gratis voor zijn boer te laten werken. In dit verband werd Gerhard al vanaf zijn zevende jaar regelmatig van de Nebenschule in Andervenne gehouden om voor boer Haarmann in Andervenne op diens koeien te passen. Dat wil zeggen: te zorgen dat de koeien niet van de arme zand- en heidegronden in aangrenzend sompig moeras terecht kwamen. Vanaf zijn dertiende jaar werd hij boerenknecht met kost en inwoning bij verschillende broodheren.
De grootvader van Gerhard Kruis stamde uit een Heuerlingsfamilie die verwant was met deze boer Haarmann. In 1741 trouwde namelijk de 29-jarige Berend Kruys met de 31-
jarige boerendochter Aleid Haarmann. Beiden kwamen toen in een Heuerhaus te wonen, behorende bij de Haarmannhof.
[zie luchtfoto onder Berend Krüshegge, geb 1712].
Niet ver van deze boerderij woonde het ouderlijke gezin van Gerhard Kruis in een Heuerhaus.
De grootvader Berend Kruys (voorheen Krushegge) werd ook wel Berend Knapp genoemd. Knapp is plat duits voor een verhoging in het landschap. Een Krüshegge was een doorgangspunt van een met een houtwal of heg afgebakend stuk bouwland. Op zo'n doorgangspunt stond dan een draaikruis dat men op grote afstand in het
landschap kan herkennen.
Vanaf zijn negende tot aan zijn 27ste levensjaar is Gerhard Kruis fulltime boerenknecht bij verschillende boeren in de omgeving in Andervenne.
Op zijn 19de sterft zijn moeder (1796) en dan wordt hij door zijn vader Hermann Theodor Kruys teruggeroepen om als arbeidskracht de plaats van zijn moeder op de Haarmannhof in te nemen en hem vanaf 1799 als Hollandgänger te vervangen. Dat wil zeggen, dat zijn vader dan te oud is om te gaan en dat Gerhard daarmee de verplichting krijgt om voortaan met zijn verdiensten in Holland de pacht aan boer Haarmann te betalen.
In 1804 trouwt de 27-jarige Gerhard Kruis met de 29-jarige Anna Margaretha Hatting en vestigt zich als Heuermann, verbonden aan boer Gosekamp in Suttrup. Na vijf jaar
stapt hij als Heuermann over naar het bedrijf van boer Weggert in Suttrup. Vanaf begin
mei tot op z?n laatst 29 september werkt hij als dagloner in Nederland. Eerst (tot 24 juni) als turfsteker in Friesland en daarna als gras- en korenmaaier in Delftland.
De vader van Gerhard sterft in 1814 op 66-jarige leeftijd. Enkele weken daarna sterft ook de 80-jarige oom Josef Haarmann, de vrijgezel gebleven stiefzoon uit het huwelijk
van grootvader Berend Kruys met Aleid Haarmann.
Na 73 jaar verdwijnt nu de relatie tussen de Heuerlingsfamilie Kruys en de boerenfamilie Haarmann. De achterblijvende drie broers van Gerhard verhuizen nu naar Friesland en kopen daar met geld uit de erfenis van oom Josef veengronden bij Haskerdijken in Friesland. Hier worden zij veenbaas en verdienen al gauw fortuin met het inzetten van Hollandgänger uit Emsland. De paradox is nu, dat achteraf gesproken Gerhard Kruis met zijn geldtekort in 1824 simpelweg bij zijn broers had kunnen aankloppen. Deze hadden hem daarbij zeker geholpen.
Josef was overigens een onechtelijk kind van Aleid Haarmans die al tien jaar oud was op het moment dat Aleid trouwde met de Grootvader van Gerhard Kruis.
In 1824 had Gerhard Kruis vijf kinderen en een, door aanhoudende ziekte, zwakke vrouw. Als Hollandgänger verdiende hij gemiddeld 1 gulden per dag, inclusief kost en inwoning. Op zondag en met veel regen werd er niet gewerkt en dus ook niets verdiend.
Aan het eind van de Wanderarbeit in Holland hield een Hollandgänger minimaal 40 guldens over. Gerhard Kruis had dit geld hoognodig om zijn gezin te kunnen onderhouden en de pachtgelden te voldoen die hij voor zijn woning en een stukje bouwland aan boer Weggert was verschuldigd.
-
TWEE MOTIEVEN VOOR DE MOORD
-
In 1824 had Gerhard Kruis eerst, in gezelschap van zijn 19-jarige zoon Herm, Bernd Kruis in de maanden mei en juni bij Gerhards in Friesland wonende iets jongere broer Bernd turf gestoken. Gelijk daarna was zijn zoon teruggekeerd naar huis in Suttrup en was Gerhard Kruis zelf een paar weken gaan grasmaaien bij boer Van der Knaap in Zouteveen. Daarna was hij doorgewandeld naar Delftland, waar hij bij een hem bekende katholieke boer in Schipluiden vier weken als dagloner op het land werkte.
Eind juli meldt Gerhard Kruis zich bij katholieke boer Tennis van den Bosch in De Lier, voor wie hij vaker als dagloner had gewerkt. Terwijl hij veronderstelde bij Van den Bosch weer als vanouds koren te kunnen maaien werd hij nu geweigerd, omdat zijn plaats al was ingenomen door zijn zes jaar jongere streekgenoot Gerhard, Heinrich Langeborg.
Langeborg, evenals Kruis afkomstig uit het katholieke graafschap Emsland (wisselend Pruisisch, Nederlands/Frans, Frans en Duits grondgebied) en al jaren met elkaar vertrouwd als collega-Hollandgänger, had zich (zoals door Kruis werd vermoed) door bij boer Van den Bosch over Kruis (door zijn oudere leeftijd teruglopende prestaties) negatieve praatjes te verkopen machtig kunnen maken van diens baantje. Dit had tot gevolg, dat Kruis 14 dagen zonder werk, kost en inwoning kwam te zitten en daardoor
snel ging interen op zijn eerdere in Nederland behaalde verdiensten.
Let wel: vele generaties Heuermänner hadden in Nederland van vader op zoon in de loop der jaren vaste werkadressen verkregen. Voor de katholieke arbeidslieden (tussen
de 20 en 50 jaar) uit Emsland betekende dit (vanuit de religieuze reformatiegeschiedenis goed verklaarbaar) per definitie dat zij zich in Nederland alleen welkom wisten bij katholieke boeren.
In eerdere jaren hadden Kruis en Langeborg op de vrije zondag vanuit Schipluiden Delft bezocht. Dit was slechts een uurtje lopen en in Delft kon men dan zich niet alleen
vergapen aan de mooie Patriciër huizen, maar ook een bierbrouwerij of een kroeg bezoeken, dan wel voor weinig geld naar de hoeren gaan. In Delft waren veel alleenstaande getrouwde vrouwen en weduwes omdat hun mannen, in dienst van de Verenigde Oost Compagnie (VOC), op zee zaten, dan wel onderweg aan dodelijke ziekte waren bezweken. Deze (meestal in grote armoede levende) vrouwen legden het op zondag graag aan met goedverdienende dagloners.
Nu Kruis geen werk en dakloos was en zich daarbij door Langeborg van de arbeidsmarkt verdrongen, vernederd en getourmenteerd voelde, zocht de zich besodemieterd geachte Kruis voor kost en inwoning zijn heil bij een prostituee in Delft.
Dit laatste feit gebruikte de katholieke Langeborg niet veel later tegen hem, door de katholieke Kruis, tijdens een confrontatie met hem in het zondagse Delft, voor zijn moreel
gedrag de duivel toe te wensen. Zoals later tijdens de verhoren van Gerhard Kruis is gebleken, zijn bovenstaande twee gebeurtenissen Langeborg fataal geworden.
-
[met dank aan George de Haan, 2009]

 




 
Kruis (Krüshegge) (Knapp), Gerhard (I42941)
 
47
10px 2px; padding: 10px;">Familie Manning

Er gaat een heel oud maar misschien wel een gegrond verhaal dat alle Mannings in de hele wereld afstammen van een clan van de 37 Koning van Ulster in Ierland, de clan MAOIN. De clan was zeer talrijk en St.Patrick heeft de clan zelf persoonlijk bekeerd tot het katholieke geloof.
Tussen tiende en dertiende eeuw zijn vele van deze MOAINS het Ierse zee overgestoken en zich gevestigd in Zuid Engeland aan de kust van Kent waar zij de Engelse wetten erkenden en hun naam in het Engels veranderden en gekozen voor MANNING om zo snel een hoge positie te krijgen.Sommige anderen kozen voor de naam Mannion.
Terwijl de naam MANNING in Engeland oorspronkelijk weer afstamde van de oude Noorse naam Menning.
Al heel vroeg in 1086, b.v. in een domesday book (register), kwam men de naam MANNING in boeken en geschriften voor. En in Ierland, in de counties Cork en Dublin is MANNING nog een van de meest voorkomende achternamen.

Uit een andere bron n.l. Dr.H.Kits Nieuwenkamp Ned. familie wapens,
deel 3, blz 122 schreef hij dat de familie naam Manning is ongetwijfeld van Saksische oorsprong. De uitgang ing of ingk (of in ( c ) h )wijst daarop. Dit achtervoegsel komt in alle Germaanse talen voor.
Mogelijk betekende het oorspronkelijk "jong", behorend bij het middelnederlands en kreeg later de omschrijvende betekenis van:
1) iemand behorend tot het gezin, de familie, het geslacht van ….
2) afkomstig van ….
3) betrekking hebbende op ….
De oudste geslachtnamen werden gevormd door gebruik te maken van dit achtervoegsel. Het zijn de zogenaamde vaders- en moedersnamen.
Men zegt, dat na de tiende eeuw de vorming van de geslachtsnaam door middel van dit achtervoegsel in onbruik moet zijn geraakt.
Voor die tijd werd het echter algemeen gebruikt. Hier uit volgt, dat de familie naam Manning(k) wel zeer oud moet zijn.


Van uit Kent hebben halverwege de middeleeuwen vele van het geslacht Manning het kanaal overgestoken.
En misschien waren dat onze voorouders die zich op het vaste land van Europa vestigde, en zo ook in Duitsland via omzwervingen in het dorpje Langen dat onder de kerspel Lengerich valt ten oosten van de stad Lingen

Onze voorouders met de naam "Manning" zijn de bewoners van de hoeve "Manning" in Langen, dit is een heel oude familie waar de erfgenaam de naam van de hoeve aannam. Als de erfgenaam een vrouw was kreeg bij het huwelijk haar man automatisch de naam van de hoeve. Soms wordt de oorspronkelijke naam van de man vermeld (geboren als) maar als dit niet gebeurd staat er een echtpaar die beide de achternaam Manning dragen. Het is daarom niet uitgesloten dat alle "Manning" de zelfde voorouders hebben
Van uit Langen hebben onze voorouders sinds 1812 volgens het katholieke kerk register van de Maximiliankerk in Rutenbrock zich als kolonisten gevestigd in de moorkolonie Rutenbrock, op plaatsnr.32 = Hinterbusch.
Langen en Haren, met een grote rijkdom aan hout en groeizame weide en hooi velden langs de Aa die gemeenschapelijk beheerd werden door de boeren uit de zanddorpen als Alt-Haren Ober en Niederlangen, Roswinkel Noord en Zuidbarger .
Nadat in 1784 een grensverdrag uit 1764 tussen "Munsterland und die Niederlanden" was ondertekend en afspraken waren gemaakt over o.a. renten, gemeenschappelijke weiden, privat eigentum, enz. en het Bourtange Moor geen militaire betekenis had,werd er een plan opgesteld om het moor te koloniseren.
!n de zomer van 1788 werden totaal 14 kolonien met 341 plaatsen gesticht en verloot , waaronder kolonie nr.8 Rutenbrock met Barenfleer en Hanentange met 36 plaatsen , Schwartenberg met 18 plaatsen, Lindloh met 36 plaatsen , en met twee schoolmeesters plaatsen.
Nadat in 1814 Hannover tot koningkrijk werd uitgeroepen werden
deze gebieden van het forstendom Munster overgedaan aan dit koninkrijk Hannover. Door toenemende nieuwe "Besiedlung" werd in 1824 een nieuw grensverdrag tussen Nederland en het koninkrijk Hannover afgesloten. Dit verdrag legde vast dat alleen met toestemming van beide staten in een afstand van 100 rheinlandische Ruten aan beide zijden van de grens nieuwe "siedlungen und gründstucke" ingericht mogen worden

Na 1743 moesten de "besitzverhaltnisse" im Linksemsischem Moorgebiet zwischen dem Furstbistum Münster und den Generaalstaaten der Niederlande geklärt werden. Hierna begon "die besiedlung" van de veengebieden.
Op bevel van de Generalvikar von Munster, Frans Friedrich Wilhelm Freiherrn von Fürstenberg, werden er op 28-07-1788 de "siedlungstellen in Rutenbrock, Lindloh en Schwartenberg verloot. De dorpen hoorden bij de kerk van Wesuwe waar de dorpelingen naar de kerk moesten. De weg was 15 km lang en was dus meer een kruisweg. Op 21-07-1798 namen de "siedler" de verplichting om een eigen geestelijke te onderhouden.
De eerste mis werd opgedragen op 08-12-1798 in het Siedlerhaus Nuttmann in Rutenbrock (nr.22).
Van 1799 tot 1808 gebruikte men een naar de Heilige Clemens geweide "Fachwerkkapelle" die in 1809 werd vergroot en veranderd. Deze kerk werd op 12-10-1809 de heilige Maximiliam geweid.
De toenmalige "Droste des Emslandes - Paul Joseph - Reichsfeiherr von Landsberg-Velen" de nederzetting in 1802 een bedrag van 3000 taler schonk om de priesters te onderhouden kreeg hij het patroonrecht over de kerkgemeente.
Door een grote werkloosheid en een terug lopende vruchtbaarheid van de bodem gingen vele Duitsers in Nederland werken als grasmaaiers en turfstekers. In Nederland was een veel grotere behoefte aan brandstof waardoor privaat ondernemers geld staken in het graven van kanalen en het aankopen van grote oppervlakten veen. In Duitsland was men ook na 1800 nog steeds niet bereid om het arme gebied rondom Rutenbrock financieel te ondersteunen waardoor er steeds meer Duitsers definitief naar Nederland vertrokken. Na 1835 vertrok ook een groot aantal bewoners naar Amerika (bron Qwellen und Forschungen zur Geschichte des Kirchspiels Rutenbrock van Heinz Menke.)

Dit verhaal strookt niet met de in Nederland heersende mening dat deze Duitsers de grens overstaken om aan de dienstplicht in hun land te ontkomen. Of anders gezegd hebben de Duitsers er een andere mening over.
In vergelijk met ander leven en arbeids omstandigheden hebben de kolonisten meer moeten worstelen en vechten om te bestaan en vooruit te komen . Waar nu in Rutenbrock groene weiden en bloeiende velden was in het begin van de kolonisatie alleen water en moeras.
Met weinig have en goed kwam ook Johan Gerhard Manning met vrouw Maria Adelheid Weyer en kinderen uit Langen naar Rutenbrock voor een nieuw leven. Het was een mengelmoes van kolonisten, ze kwamen uit Munsterland en Preusen Althannover, Hildesheim Paderborn en zelfs uit Holland en Brabant het was een mengelmoes van talen en dialecten.



Bij aankomst in het veen wachte er geen gastvrije onderdak.Het eerste wat Johann Gerhard moest doen was een veenhut bouwen wou hij met zijn vrouw en kinder niet in de open lucht slapen. Veel stelde dat niet voor , met wat berken stammetjes, sparretakken afgedekt met plaggen en hun eerste woning was klaar.
Sinds 1831 is bekend dat Johann Casper een heuerman was en in dienst was op plaats nr 32 van vervener Herm Groninger die een bouwland toegewezen kreeg achter Ruten A van 20 vierup en een weide grond in Barenfleer aan de Ruten A van 43 vierup met een waarde van 37 gulden en 16 stuber jaarlijks te betalen aan de hofkammer 12 gulden en 12 stuber en aan de gemeide 25 gulden en 4 stuber.
In 1798 ging de grond over aan Franss Janzen. in1831 was het in eigendom in bezit van Heinrich Janzen met zijn vrouw en 6 zonen en 3 dochters, en had in dienst Johann Casper Manning met zijn schoonvader zeven zonen en een dochter die bij hen inwoonde
In 1910 was het bezit in handen van Casper Manning en Mente.
In 1938 was het bezit in handen van Rudolf Manning en H Mente.
In hun onderhoud te voorzien verbouwden ze boekweit op het hoogveen en later vooral rogge, aardappelen en haver voor hun eigen benodigdheden. Ook hadden ze wat rundvee en schapen voor het vlees en de mest.
( bron Emslandische Moorkolonien von bauer Heinrich Blanke Lindloh)

Geschichte: Im Zuge der Kolonisation der Emslandmoore unter dem münsterschen Fürstbischof Maximilian Franz wurden am 28. 7. 1788 die Sied­lerstellen in Rütenbrock, Lindloh und Schwartenberg verlost. Das Gebiet ge­hörte zur Pfarrei Wesuwe. 1798 verpflichteten sich die Rütenbrocker Kolonisten zum Unterhalt eines eigenen Geistlichen, und am 8. 12. 1798 wurde die erste hl. Messe in einem Siedlerhaus gefeiert. Am 11.7. 1799 wurde der Friedhof einge­weiht. Ab 1799 wurde ein umgesetztes Bauernhaus als Kirchhaus genutzt, das auch dem Geistlichen als Wohnung diente. 1807 wurde als erste Kirche ein turmlo­ser Fachwerkbau errichtet, der eher den Eindruck eines großen Wohnhauses als den eines Gotteshauses machte. Am 12. 10. 1809, dem Fest des hl. Maximilian, wurde die Kirche benediziert; sie wurde bis 1869 genutzt. Seit 5. 1. 1809 ist Rüten­brock Pfarrei. Das 1800 erworbene Patronatsrecht des Grafen Landsberg-Velen besteht formal bis heute. — Abpfarrung: 1. 4. 1921 die Kuratie Altenberge.

Erbaut 1867-1869 (Architekt J. B. Hensen, Sögel). Konsekration 4. 11. 1869. Turm­bau 1870. Renovierungen 1961, 1967, 1978 und 1984-1986. Anbau einer Sakri­stei/Umgestaltung des Altarraumes 1984. Altarkonsekration 29. 12. 1984. Renovie­rung des Turmes 1989. — Neugotische Backsteinkirche mit polygonalem Chor und einem an den Giebel angesetzten Glockenturm mit Kupferspitzhelm. 500 Sitz­plätze.

manning
(mannetje, manning, manneke) 1> kleine houten bolder of daarop gelijkende constructie zoals een beretand of een speen. 2> pen, bout of klink door een sluiting. 3> vrij onbekende term voor roeidol.
Gevonden op http://www.debinnenvaart.nl/binnenvaartt

manning
mannetje.
Gevonden op http://www.debinnenvaart.nl/binnenvaartt

Manning
Manning is een Engelse jongensnaam. Het betekent `zoon van de held`.
Gevonden op http://babybytes.nl/namen/jongens/Mannin

manning
1) Bekende personen en groepen 2) Plaats in Amerika 3) Theoloog
Gevonden op http://www.mijnwoordenboek.nl/puzzelwoor

Manning
(Iowa) `Manning` is een plaats (city) in de Amerikaanse staat Iowa, en valt bestuurlijk gezien onder Carroll County. Demografie: Bij de volkstelling in 2000 werd het aantal inwoners vastgesteld op 1490-->. In 2006 is het aantal inwoners door het United States Census Bureau geschat op 1499-->, een stijging van 9 (0.6%). Geografie: Volgens het
Gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Manning

Manning
(Oostenrijk) `Manning` is een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk, gelegen in het district Vöcklabruck. De gemeente heeft ongeveer 800 inwoners. Geografie: Manning heeft een oppervlakte van 10 km². De gemeente ligt in het zuidwesten van de deelstaat Opper-Oostenrijk. Het ligt ten noordoosten van de deelstaat Salzburg en te
Gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Manning

Manning
(South Carolina) `Manning` is een plaats (city) in de Amerikaanse staat South Carolina, en valt bestuurlijk gezien onder Clarendon County. Demografie: Bij de volkstelling in 2000 werd het aantal inwoners vastgesteld op 4025-->. In 2006 is het aantal inwoners door het United States Census Bureau geschat op 4017-->, een daling van 8 (-0.2%). G
Gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Manningspace: normal; word-spacing: 0px; text-transform: none; font-weight: 400; color: #333333; font-style: normal; text-align: center; orphans: 2; widows: 2; margin: 32px -15px 10px; letter-spacing: normal; background-color: #dff0d8; text-indent: 0px; font-variant-ligatures: normal; font-variant-caps: normal; -webkit-text-stroke-width: 0px; text-decoration-style: initial; text-decoration-color: initial; padding: 15px;"> 




 
Manning, Johann Gerhard (I42995)
 
48
g: border-box;" />T H E O D O R I T A K R U I S
Achternaam :Kruis
Voornaam :Agatha Anna
Kloosternaam :Theodorita
Soort religieus:zuster
Geboren :08-06-1912 te Luinjeberd
Parochie :Heerenveen
Overleden:06-02-1999 te Cadier en Keer
Begraven te :Cadier en Keer (missionariskerkhof)
Congregatie/Orde :Missiezusters van O.L. Vrouw der Apostelen
Ingetreden op :10-01-1935
Eerste professie :08-09-1937
Werkzaam als:apostolisch medewerkster in Frankrijk en in Nederland
Bijzonderheden:ingetreden en geprofest te Lyon (Frankrijk); woonde juni 1984 te Broek Sittard (Weidom)
Vader :Kruis, Hendrik Jan
Moeder :Riksma, Margaretha
Aanw. prentjes:Overlijden: 1, Professie: 0, Overige: Gouden Professiefeest (adv.)
(Overige) Bronnen:relig. map ADRKF
Persoonsnummer:2181
[bron: ADRKF] 
Kruis, Agatha Anna (I24313)
 
49
11px; padding-left: 22px; border-left: #eeeeee 5px solid; margin: 0px 0px 22px 2px; padding-right: 22px;">Titel: Ds
Henricus liet zich op 1 april 1651 in Franeker als stud.phil. inschrijven. In 1656 was hij al candidaat. Blijkbaar had hij geen geluk in het vinden van een gemeente. Hij studeerde verder als min. cand. in Groningen vanaf 27 november 1658 en Leiden vanaf 10 mei 1659 en sloot zijn studie af als Dr.med. te Franeker met het proefschrift 'De Tremore'. Zijn dubbele beroep oefende hij van 3 augustus 1663 tot 16 april 1683 te Rinsumageest uit. Daarna te Dokkum tot aan zijn overlijden. Volgens het besluit van de Gedeputeerde Staten van Friesland van 17 juli 1687 werd hem toegestaan zijn dubbele beroep uit te oefenen zolang zijn ambt als dominee daardoor niet gehinderd werd. Reeds in 1652 solliciteerde hij als leraar aan de latijnse school te Franeker. Ter gelegenheid van het huwelijk tussen professor Johannes Greydanus en Yttie Pieters Wimersma op 2 juli 1654 schreef Henricus een echtseergedicht. Dit is gedrukt en uitgegeven bij Ids Alberts te Franeker (Prov.Bibl. Nr.17480)
Voorts schreef hij een gedicht ter gelegenheid van de promotie van dezelfde Johannes Greydanus en een fries gedicht dat besproken werd in Sljucht en Rjucht van 17 december 1927. Verder is nog een latijns vers van hem bekend in zijn Lijkzuchten over het Godsaligh versterven van Maria Corvinus, eegade van Ludovicus Parent, professor in de Franse taal te Franeker, ontslapen op 6 september 1652. Henricus deed in Franeker belijdenis op 24 april 1653. In 1700 bezit hij de helft van de boerderij ´Pesenwal´ onder Nes, groot 60 pondematen. In 1708 zijn zijn erven en de erven Isaac Wolfganck, zijn zwager, ieder voor de helft eigenaar van deze boerderij die in 1712 verkocht werd. Hij was eigenaar van een graf in de Galileërkerk te Leeuwarden. Op 28 maart 1696verkoopt hij met zijn vrouw 6 pondematen van de Sinnemazathe onder Witmarsum, Rijpeyndt groot in totaal 70 pondematen. 
Schregardus, Henricus (I18434)
 
50

Verslag van reserve-kapitein H.M. Vestdijk

or: #000000; text-align: center; font: 13px/17px Arial, Helvetica, sans-serif; margin: 0px 0px 1.5em; widows: 1; letter-spacing: normal; background-color: #c8a46e; text-indent: 0px; -webkit-text-stroke-width: 0px; padding: 0px;">16 M.C. - Verslag


  Gezien het feit dat alle notities aangaande het gevecht mij ontnomen zijn ben ik verplicht de tijden, genoemd in dit verslag, uit het hoofd te noteeren. Ik ben ervan overtuigd dat de door mij genoemde uren niet zoodanig van de werkelijkheid afwijken, dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de waarde van dit verslag. 
  Toen op 9 Mei 1940 het bericht doorkwam dat graad van strijdvaardigheid 3 bereikt moest worden, zijn door mij de maatregelen genomen die dienaangaande voorgeschreven stonden. Zoo heb ik o.a. de vrachtauto die door een burgerfirma voor mij gereserveerd was, in vaste dienst genomen. Deze maatregel moest ik nemen omdat nog altijd, ondanks herhaalde aanvraag, ieder voertuig van mijn trein ontbrak. Het gebrek aan voertuigen heeft zich gedurende het geheele gevecht in hevige mate doen gevoelen en heeft mij o.a. belet de stroozakken en de dekens die opgelegd waren in mijn woonbarak, welke barak door vijandelijk vuur onbewoonbaar bleek, ter elfden ure in de stelling te krijgen.


  Op 10 Mei (Vrijdag) rukte een mijner secties uit om 2.00 uur, als sectie tegen luchtdoelen. De andere sectie maakte zich daarna gereed voor uitrukken bij graad 4. Bij deze sectie bleef achter een Luitenant Gazendam en ikzelf ging met de piketsectie mee. 
  In de stelling aangekomen werden de mitrailleurs in hun voorloopige stellingen opgesteld en is er meegedaan aan het bevuren van laagvliegende vliegtuigen. De tweede sectie, die daarna, om ca. 4.00 uur aankwam is direct begonnen met het bezetten van hun stellinggedeelte, terwijl de niet bij de stukken benodigde manschappen der piketsectie, bezig waren hun stelling gereed te maken. Een gedeelte der manschappen was doende eenige kruip- en verbindingsgangen te maken, omdat ik toen reeds het gevoel kreeg dat het ontbreken van dergelijke verbindingen, later een zeer groot nadeel zou zijn. Toen de verschillende in het open terrein werkende groepen uit vliegtuigen beschoten werden (inmiddels was graad 4 begonnen) heb ik de stellingen laten bezetten. De dag is verder zonder bijzonderheden voorbij gegaan. 
  De verpleging, voor wat betreft het eten, ging normaal en gaf aanleiding tot volle tevredenheid. 
  Op een bericht van mij aan Commandant II-8 R.I. dat ik met geen oorlogsreserve aan munitie de stelling betrokken had, kreeg ik ter antwoord dat voor munitie aanvulling gezorgd werd. Inderdaad heb ik den volgenden dag, meer dan voldoende munitie ontvangen, terwijl tevens een zeer voldoende depot door II-8 R.I. ingericht werd. 
  De telefoonverbindingen werkten uitstekend tot na de eerste salvo's artillerie. Daarna was het een voortdurend getob, totdat mijn telefoonlijn op iedere meter gebroken was, waarna de stelling als los zand aan elkaar hing.


  De tweede dag (Zaterdag 11 Mei) begon rustig. In de prille ochtend begon een artilleriebeschieting van mijn rechtersectie welke beschieting geen schade aanrichtte. Den middag begon een hevige beschieting die zonder veel onderbreking voortduurde tot Maandag. Zaterdagmiddag werd een mitrailleur van deze sectie onherstelbaar onklaar geschoten hetgeen door mij aan Commandant II-8 R.I. gemeld werd. Overigens richtte het vuur geen schade aan. Den middag zijn meerdere banden verschoten op beweging in het terrein voor de frontlijn op slecht zichtbare doelen. Slecht zichtbaar door het ontbreken van kijkers en door de onmogelijkheid de afstandmeter voor dat doel te gebruiken. 
  De nacht van Zaterdag op Zondag was vrij rustig. Ik heb niet kunnen vuren omdat ik geen vuuropdrachten kreeg.


  Gedurende de Zondag (12 Mei) hebben beide secties wel vuur gebracht op beter zichtbare doelen. In de ochtenduren werd een tweede mitrailleur onklaar geschoten. Ik vatte dus het voornemen op mijn commandopost te verplaatsen naar de linkersectie, die nog geheel gaaf was. Dit voornemen heb ik den middag om circa 15.00 uur tijdens een langere vuurpauze uitgevoerd. De Reserve tweede luitenant Gazendam heb ik als sectiecommandant achter gelaten, met de opdracht het vuur zelf te leiden en tot het uiterste stand te houden; aan deze opdracht heeft hij zich in voldoende mate gehouden. 
  Omstreeks het uur van mijn verplaatsing was het euvel ontstaan van de niet op te sporen schoten. De troep werd door dit "mysterie" onzeker en angstig. Ik heb het verschijnsel verklaard als komende van inslaande projectielen van mitrailleurs en geweren. De troep nam met die verklaring min of meer genoegen. 
  Inmiddels had ik op Zondagmiddag den indruk gekregen als zou de linkervleugel van II-8 R.I. verlaten zijn, zoodoende de vijand gelegenheid gevende bij Kruiponder zonder weerstand door te breken. De rechter sectie is toen door mij gelast het terrein achter de frontlijn te bevuren als zich daar behoorlijke doelen voordeden. Op de genoemde terreinen is zeer veel vuur afgegeven. 
  De linker sectie had eindelijk ook doelen gekregen en deze onder hevig vuur genomen. Zondagmiddag kwam deze sectie onder artillerievuur tot Maandagochtend, zonder veel schade. Inmiddels was de verpleging stop gezet nadat onmogelijk bleek water aan te voeren. Op mijn rechtervleugel was vijandelijke infanterie die blijkbaar door een verlaten gedeelte van I-8 R.I. heen drong. 
  Door mij uitgezonden patrouilles kwamen zonder berichten terug. 
  Door mij, daarna, uitgezette staande patrouilles op mijn flanken kregen geen contact. 
  In de loop van dien dag ontstond een tegenstoot van een gedeelte van 24 R.I. die eenige tijd later in wanorde door mijn stelling terugtrokken.


  Op Maandagochtend (13 Mei) kreeg ik de indruk dat de infanteriestellingen verlaten waren. Mijn beide secties vuurden op doelen in het terrein. Eigen troepen verzamelden zich op circa 300 meter achter mij en openden van daar een zwaar mitrailleurvuur in mijn richting. Door het verleggen van het artillerievuur eindigde dit schadelijke vuren en eenige ogenblikken later was mijn linkersectie en ik omringd door vijandelijke infanterie, die zich met lichte mitrailleurs en handgranaten op mijn rugweer vertoonden. 
  Aangezien een verder vechten doelloos was en onmogelijk, meende ik mijn manschappen te moeten sparen en heb ik mij gevangen laten nemen. 
  Dezelfde middag (Maandag) zijn wij afgevoerd naar Duitschland.


's-Gravenhage, 10 Juni 1940.
de Reserve Kapitein,
Commandant 16 M.C.
H.M. Vestdijk.




 
Brandriet, Bernard Albertus (I15484)
 

      1 2 3 4 5 ... 20» Volgende»




StamboomOnderzoek.com / The Next Generation of Genealogy Sitebuilding © Darrin Lythgoe